In de sfeervolle tuinkamer van zijn huis in Leiden, vol Indische souvenirs en schilderijen, oogt schrijver en essayist Rudy Kousbroek als een kasteelheer. Zijn trui toont even nonchalante als indrukwekkende gaten, het spinnen van de poes op zijn schoot wordt met grote halen van zijn hand over de rug van het dier aan de gang gehouden, hij drinkt sterke thee met wolkjes melk waar hij routineus koekjes van de schaal vóór hem in onderdompelt.
Soms is hij hulpeloos, of verstrooid. Precies zoals hij in zijn boeken doet, lardeert hij zijn betoog met verwijzingen naar schrijvers – als hij maar, krachtterm, op hun namen zou kunnen komen! Dat lukt vaak niet, of niet meteen, „omdat de bestralingen grote gaten in mijn geheugen hebben geslagen”. Op zo’n moment belt hij naar zijn echtgenote, de Ierse schrijfster en sinologe Sarah Hart, elders in het huis en vraagt haar in een mengeling van Engels en Nederlands welke schrijver ook weer dit of dat heeft geschreven. Sarah, zegt hij, is zijn “intellectuele blindegeleidehond, die weet waar alles ligt en het antwoord al klaar heeft nog voor ik de vraag gesteld heb”. En: „Sarah onthoudt mensen. Ik ideeën.”
Rudy Kousbroek, bijna 80, P.C. Hooftprijs-winnaar, gedurende decennia boegbeeld van deze krant en bron van polemisch wapengekletter, is ernstig ziek, maar daar wil hij het niet over hebben. „Er valt niets verstandigs over te zeggen. Schrijf maar gewoon op: hij is op sterven na dood”. Grommend lachje, een hoestbui. In de loop van de gesprekken wordt het een running gag – „Jaja, op sterven na dood”. Lachje, hoesten.
Een andere terugkerende aanleiding voor ironie is het advies van een vriendin geen rancune te tonen tijdens het interview. Dreigt het wat dat betreft de verkeerde kant op te gaan, dan constateert hij geamuseerd: „Maar hiermee begeven wij ons op verboden terrein, niet?”
Op sterven na dood was hij naar eigen zeggen een jaar geleden al, maar ‘in de extra tijd die me gegeven is’ heeft hij het boek Medereizigers, over de liefde tussen mensen en dieren, geschreven. Het is een verkoopsucces. Volgende maand verschijnt de briefwisseling die hij van 1955 tot 1974 onderhield met de schrijver Willem Frederik Hermans (1921-1995). Het was er bijna niet van gekomen.
„Ik wilde het tegenhouden, maar heb me laten overtuigen door Willem Otterspeer, die de uitgave heeft verzorgd. Die brieven zijn van veertig jaar of nog langer geleden en ik had in mijn hoofd, dat ik iets te veel mijn best doe om goedgunstig beoordeeld te worden door Hermans. Uit een beetje slaafse bewondering, en ik dacht dus: beter van niet. Maar ik heb de brieven herlezen en kon niet ontkennen dat er wel iets belangwekkends in stond. Over filosofie en dergelijke, en het werpt ook een zeker licht op Hermans’ karakter, zijn paranoïde inslag. Dat pluimstrijken is er ook wel. Er waren bij het lezen momenten dat ik dacht: verrek, hier had ik mijn bek weleens open mogen doen. Dat deed ik dan niet, om de lieve vrede, of om hem niet te mishagen; ik spreek het soms ook uit: ‘hier ga ik maar niet op in, want dat zal je wel niet bevallen’. Ik durfde geen kritiek te hebben, dat kon niet bij hem. Als je de minste aanmerking had of zelfs maar vroeg wat iets betekende of waarom het was zoals het was, dan kreeg je de reactie van iemand met vervolgingswaan. Het is als de man die aan zijn vrouw vraagt: ‘Waar heb je deze biefstuk gekocht?’ en de vrouw die dan antwoordt (hij zet zijn kopstem op): ‘Hoezo? Is-ie niet goed dan?’ Dat paranoïde van Hermans maakt zijn romans ook zo beklemmend.”
In de briefwisseling, waaraan af en toe ook Kousbroeks toenmalige echtgenote Ethel Portnoy deelnam, komen alle typische Kousbroek-onderwerpen, die ook de hevige belangstelling hadden van Hermans, aan de orde: techniek, (vooral van auto’s, fotocamera’s en typemachines), literatuur (met name Céline), de evolutietheorie, diergedrag, de (verderfelijke) invloed van religie, filosofie (vooral Wittgenstein). Ondanks alle omzichtigheid barst in 1967 een eerste conflict los, over een ongepubliceerd gebleven artikeltje van Kousbroek, waarin hij het opneemt voor Hermans. Naar het oordeel van de laatste heeft Kousbroek te weinig moeite gedaan om het in druk te laten verschijnen. De correspondentie eindigt met een tweede, veel groter conflict over F. Weinreb (1910-1988), een joodse hulpverlener en schrijver die gecollaboreerd had met de Duitsers en wiens integriteit in de jaren zestig en zeventig inzet was van een heftige controverse onder Nederlandse intellectuelen. Kousbroek verdedigde Weinrebs visie dat goed en kwaad niet altijd duidelijk te onderscheiden zijn tijdens een bezetting, Hermans ontpopte zich juist tot één van de voornaamste aanklagers van de man.
Maar midden jaren zestig is alles nog pais en vree en zijn bijvoorbeeld auto’s nog een geliefd thema van beide correspondenten: op elke pagina wordt wel een Healy 3000, een Lotus, Chevrolet, Lancia of Amilcar aangeprezen dan wel van uitvoerig commentaar, vooral over te halen snelheden, voorzien. Op 18 mei 1966 schrijft Kousbroek: „De Citroën intussen liep voorbeeldig, ik ben die hele trip maar één keer door iemand ingehaald, door de fatale DS 19. Maar voor je me gelukwenst moet ik er nog wel even bij vertellen dat tijdens het verblijf in Holland een klepstoterstang brak (-)” De alinea erna gaat het al weer over ‘werkelijk uitzonderlijke stereodia’s uit de Eerste Wereldoorlog, benevens een kijktoestel en een camera, van het zelfde type als je me eens liet zien, maar, als ik me goed herinner, met minder goede en niet instelbare lenzen’.
Een beetje als jongetjes. „Helemaal! Zoals nu adolescenten met hun scooters. Het is ongetwijfeld dezelfde drive, hetzelfde mechanisme. Antiquiteit en prestaties, daar ging het ons om. En exclusiviteit. In 1965 was een moderne auto tot niet veel in staat: als je er één uit 1925 had, dan vloog je alles voorbij. Die auto’s waren veel beter en je kocht ze voor een krats. Het was een gulden tijd voor liefhebbers zoals wij. Hetzelfde plezier beleefden we aan camera’s en typemachines.”
De gesprekken met Rudy Kousbroek hebben plaats tussen eind januari en eind maart. Hij is steeds één en al geduld en welwillendheid, geen moment laat hij merken dat de omstandigheden zwaar zijn. Zijn oudste dochter, Hepzibah, is al die tijd stervende, als het vierde gesprek plaats heeft, is zij dood. Een paar dagen ervoor stuurt hij per e-mail een fragment uit een brief aan schrijver Koos van Zomeren, naar aanleiding van diens boek Het dier in het dier. Het luidt als volgt: „Als ik nadenk over het verschil tussen uw werk en het mijne, dan kom ik tot het inzicht dat u de dood niet uit de weg gaat, en ik wel. Het Refrein is Hein klinkt bij u op bijna elke bladzijde en bij mij nergens. Dat verwijst geloof ik toch wel naar een verschil in kwaliteit: u bent niet bang, en ik ben een schijthuis. Ik houd de dood zo goed mogelijk weg, ook uit mijn herinneringen. Soms houd ik het lezen van uw schetsen al bijna niet uit.”
Kousbroek begint onmiddellijk over het briefje en zegt: „Als je van de natuur houdt, zoals ik, dan houd je ook van de dood. Van Zomeren heeft er ook plezier in die stervende dieren te beschrijven. Ik houd niet van de dood. Ik ben ook altijd schichtig omgegaan met de dood van huisdieren.” Dan, op mijn vraag: „Ik weet er geen antwoord op, er valt geen verstandig woord over te zeggen, aan welke kant je ook begint te denken, er is geen oplossing. Je komt op formules als ‘een vader hoort niet aan het graf van zijn kind te staan’. Maar wat is dat voor iets? Een manier om jezelf nog verder te kwellen. Verdriet is wennen aan het ondraaglijke. Ik slaap veel.”
Tekeningen die zijn dochter als kind maakte, werden opgenomen in zijn boek ‘De aaibaarheidsfactor’, dat net herdrukt is. „Ze was slim en had een groot artistiek talent, maar met tekenen hield ze op aan het begin van de adolescentie. Bij meisjes is het alsof in dat stadium zich een andere manier van denken manifesteert, terwijl bij jongens zich dan juist het vermogen te abstraheren openbaart. Niet voor niets schaken vrouwen niet, op een paar Hongaarse zusjes na. Of zijn er nauwelijks vrouwelijke wiskundigen die iets bijzonders hebben bijgedragen. Je kunt niet zeggen, zoals feministen ons proberen wijs te maken, dat ze er de kans niet voor krijgen. Maar dit is zo’n fundamentele, onopgeloste kwestie dat ik er niet graag een definitief standpunt over zou uitdragen.”
De verhouding met Hepzibah raakte verstoord. „Op haar vijftiende, we woonden destijds in Parijs, is ze weggelopen. Een paar maanden lang hebben wij niet geweten waar ze was en ons opgevreten van angst. Ze bleek contact te hebben met Simon Vinkenoog, die statutair een vriend van mij was, maar de vriendschap ging niet zover, dat hij mij liet weten dat hij haar gesproken had. In hoge mate harteloos en immoreel, maar het werd goedgepraat met ‘het grote begrijpen’ en ‘het universum dat bij elkaar gehouden werd door niets dan liefde’ – al die holle frases, die man heeft nog nooit een echt gevoel gekend. Ze is in die tijd aan de drugs geraakt, zoals zij beschreven heeft in haar boek De onzichtbare vijand. Dat verscheen in 2004, toen het al ver achter de rug was en de verhouding allang hersteld.”
In de loop van de gesprekken komt Kousbroek, zijns ondanks, regelmatig terug op de dood. In verband met religie, bijvoorbeeld, een stokpaardje, hij geeft het toe. Al in 1965 kwam het hem, in de briefwisseling, op een reprimande van Hermans te staan: „Je plakt wel gauw het door jou verafschuwde plakkaat ‘religieus’ op en dit is te merkwaardiger omdat je m.i. geen geringe neigingen tot bijgeloof vertoont.” Niet dat Hermans gelovig is. Een jaar later schrijft Kousbroek hem zijn „optimisme niet [te] delen, dat de termijn waarna de laatste echte gelovigen in zonnige klinieken zullen zitten maar honderd jaar zou zijn”. Nu zegt hij: „Ik weet niet of religies – en daar reken ik het fascisme en het communisme ook toe – onuitroeibaar zijn. Ze zijn toch aardig op hun retour. Obama die zich nadrukkelijk ook tot niet-gelovigen richt – tot voor kort zou dat ondenkbaar zijn geweest voor een Amerikaanse president. Maar veel atheïsten noemen zich ook nu nog veiligheidshalve agnost, een laffe houding. Bertrand Russell, een van mijn grote voorbeelden en grondlegger van het vrijdenken, deed dat ook, maar in zijn tijd kon je anders niet overleven. Wat die man te verduren heeft gehad van gelovigen, tart iedere beschrijving. Het Anglicanisme is nu gelukkig niet meer dan een vorm van beleefdheid. Ook Descartes was niet gelovig, maar gaf dat uiteraard evenmin toe. Een hansworst hier in Nederland leidde daaruit af dat hij ‘de Kerk erkende’. Ja, dat haalt je de koekoek, in zijn tijd! Als je niet uitkeek, belandde je op de brandstapel.
„Ik heb de pest aan godsdiensten, ze zijn op z’n gunstigst tijdverspilling, en meestal bron van dood en verderf. Als je oorlog wilt, hoef je alleen maar gelovigen te mobiliseren. Mijn universum is er één zonder politie, ik verbied niets, ook godsdienst niet, maar intellectueel bezien kun je alleen maar atheïst zijn. Voor mij is het verbod op moord niet per se en impliciet een religieuze standaard. Het is een evolutionair product, omdat met de dood informatie verloren gaat. Om die praktische reden ben ik geen voorstander van de dood of het doden. Het instinct, ook mijn instinct, verzet zich daartegen. De inhoud van iemands leven gaat teloor. Ach, Hepzibah was pas 55. Als ik denk aan hoe zij hele lappen Franse poëzie uit haar hoofd kende – al die kennis, al haar belezenheid, dat ligt nu allemaal in de aarde van Nieuw Eik-en-Duine
„Het feit dat in de best geëvolueerde samenlevingen doden verboden is en een misdaad, zie ik als een erfenis van de evolutie. Ja, dat is misschien datgene wat bewezen moet worden als bewijs gebruiken. Maar het is niet helemaal toevallig. Eeuwenlang bestonden er regimes met allerlei vormen van rituele moord en doodstraf, maar de samenlevingen met de meeste overlevenden waren op den duur levensvatbaarder. Evolutie is een numerieke kwestie.”Wijlen de Palestijnse leider Arafat had dus evolutionair ‘gelijk‘ met zijn uitspraak: „De baarmoeder van onze vrouwen is ons beste wapen”? „Nee, dat is kinderpraat. De Palestijnen moorden ook elkaar uit en als je de balans opmaakt, blijven er minder topindividuen over dan waar dat niet gebeurt. Alleen al de eeuwenlange uitsluiting van vrouwen moet een negatieve uitwerking hebben gehad. Neenee, die mensen zijn als de leeuw die de welpen van zijn medeminnaars doodbijt. Dat is destructief, geëvolueerdere vormen doen dat niet.”
Voor Kousbroek is „de vernietiging van informatie, die verspilling, één van de grootste ellendes van sterfelijkheid überhaupt”. Hij beschrijft het in een beeld: „Je staat op het achterbalkon van de trein en ziet hoe willekeurige bladzijden uit een boek worden gescheurd en het land in dwarrelen – en dan zijn ze weg. Je wordt erdoor weggevaagd van verdriet. Lévi-Strauss schreef: ‘L’homme a toujours pensé aussi bien’. (Het denken van de mens is altijd even goed geweest, red.) Dat vind ik een indrukwekkende uitspraak. Nietzsche zei hetzelfde anders: ‘Ich lehre euch den Übermensch’ – heeft niets met supermensen te maken, maar met het volgende stadium van de evolutie. Daarin is het verleden onmisbaar. Nietzsches ‘God is dood’ is maar één keer in de geschiedenis zo geformuleerd. Het raakte me diep, als adolescent. Daarom kan ik het niet uitstaan dat Nederlanders geen relatie hebben met het verleden. Dat is vuil voor de bezem. Alleen al de spellingshervormingen, dat zijn misdaden geweest. Ter Braak is allang onleesbaar geworden, terwijl de Fransen Molière nog moeiteloos lezen. De enorme zwakte van de westerse cultuur is het loslaten van verplichtingen. Het afschaffen van zangles alleen al, de Mammoetwet is één van de grote tragedies van onze tijd geweest.”
De vraag dringt zich op: wat laat hij zelf na? Het antwoord heeft hij dan al op verschillende momenten gegeven. „Ik heb kilo’s krantenpapier zwart gemaakt, maar het merendeel is rommel”. Of: „Ik heb alleen maar wat rondgeamateurd.” Of: „Mijn werk? Ik heb 99 procent van mijn tijd aan seks gedacht en, helaas, niet eraan gedaan. Ik heb heel veel te danken aan Lien Heyting, van het Cultureel Supplement. Ik schreef op uitnodiging, en verder was er de column. Had er meer systeem in gezeten, dan was ik misschien wel.... een denker geworden zo groot als Mulisch!”
Maar de P.C. Hooftprijs dan? Dat was toen hij hem kreeg (1975) de belangrijkste onderscheiding die er bestond. „Ik kreeg hem omdat de jury het niet eens kon worden over Renate Rubinstein of Karel van het Reve.” Nee, dat weet hij niet zeker, het is ‘mijn eigen analyse’.
Ja, geeft hij toe, ‘een beetje bescheidenheid’ speelt een rol. Maar: „Ik ben een zelfhater, altijd geneigd mijn eigen prestaties te devalueren. Er zijn veel krachtigere en elementairdere drijfveren dan bescheidenheid of koketterie. Je criteria worden gevormd door je ouders. Mijn ouders en vooral mijn moeder dachten dat ik een soort oplichter was. Ze was ervan overtuigd dat op een goed moment aan het licht zou komen, dat ik niet deugde. Dat heeft mijn leven bepaald. In zekere zin heeft alles wat ik gedaan heb de bedoeling gehad aan mijn moeder te laten zien dat ik wel deugde. Maar dat helpt natuurlijk niks! Ze was mee naar de uitreiking van de P.C. Hooftprijs. Die dag stond er geen stuk van mij in de krant. Zegt ze op de terugweg: ‘O, maar ben je dan niet bang ontslagen te worden?’ Zoiets creëert een ingebouwde zwakte. Alles wat ik gedaan heb, beschouw ik ook zelf als bedrog.
„Het is een klucht, een farce geweest: iemand te willen bekeren, die onbekeerbaar was. Nu zie ik het meer als haar eigen inferioriteitsgevoel. Ze vond zichzelf niets waard, en dus haar zoon ook niet. Maar dat zijn redeneringen en die helpen je in deze materie niet verder.”
Kousbroek komt terug op het belang van het verleden ‘waarvan het bewaren de kern is van de romankunst’. „Het grote talent onthoudt een selectie en weet die zo te noteren dat die samenhangend is en een verpletterende indruk maakt. Proust kon het, Gerard Reve ook. De Avonden heeft voor mij die formidabele kracht. Het boek beschrijft precies de wereld waarin ik terechtkwam, nadat wij uit Indië waren gekomen en op de koude grond belandden.”
Kousbroek ondernam zelf ook pogingen een roman te schrijven. Hermans, die zelf in die tijd de ene na de andere roman publiceerde, vraagt er met voelbaar leedvermaak geregeld naar in de briefwisseling. „En je roman? Vooral dat laatste is belangrijk”. „Nee”, antwoordt Kousbroek, pas een paar brieven later, geïrriteerd: „mijn roman is niet klaar, en als je suggereert dat die Lévi-Strauss trilogie een onderdeel is van de ingewikkelde afleidingsmanoeuvres waarmee ik mijzelf van meer fundamente dingen af hou, dan ben je een groot psycholoog, want zo is het inderdaad. (-) Overigens is dit onderwerp taboe”.
„Ik ben aan tien, dertien romans begonnen en heb ze allemaal in de prullenbak gegooid. Weg ermee. Mijn andere boeken ontstonden uit zichzelf, het waren bundelingen van opstellen en essays. Die kon ik niet tegenhouden, die romans wel. De roman waarover Hermans het heeft, ging over de wiskundige achtergrond van het bestaan, en over seks natuurlijk.
„Het bedrukt me nog steeds, dat het niet is gelukt. Hermans was alleen maar antagonistisch op dat kleine gebiedje dat samenviel met mijn zelfkritiek. Het maakte het wel erger, uiteraard. Als ik erop terugkijk, was het boek beïnvloed door Kafka en Stendhal en ook door Hermans, vooral door zijn vroege, surrealistische werk uit Moedwil en Misverstand. Maar het is alsof ik het alsnog probeer goed te praten. Het is heus het beste dat het boek in de prullenbak is beland.”
Het brengt het gesprek op de twee conflicten met Hermans. „Hij was niet tevreden te stellen, dat was een probleem. Maar ik had dat artikeltje waarin ik het voor hem opnam tegen K.L. Poll, redacteur van het Handelsblad, inderdaad gewoon elders moeten publiceren, nadat Poll weigerde het te plaatsen. Maar Poll was mijn broodheer, ik had net een forse ruzie met hem achter de rug. Het was van mijn kant inertie en tegenzin, daar ergens tussenin lag het.
„Weinreb lag ingewikkelder, maar in die affaire had Hermans volkomen en totaal gelijk. Ik heb de visie van Weinreb op de bezettingsjaren verdedigd – niet de man zelf. De onderduik was een beschamende episode, waarin onderduikers verraden werden, en waarin financieel en seksueel misbruik van ze werd gemaakt.
„Maar mijn intentie was onoprecht, halfhartig. Ik deed het omwille van Renate Rubinstein. Haar vader was door de Duitsers vermoord, van alle vaderfiguren die zij gezocht heeft in haar leven, voldeed Weinreb het best. Ik kon dat niet tegen haar zeggen, ik zou het nog niet kunnen. Het brak mijn hart haar nog verder pijn te doen en dus verdedigde ik, onder druk van haar, Weinreb. Hermans heb ik dit nooit verteld, hij zal het misschien vermoed hebben. Het verschil tussen hem en mij was: hij was meedogenloos en ik niet. Daarom was hij ook een goede romancier en ik niet. Alle compromissen, alle dingen die je half doet, met verborgen agenda’s en halve waarheden, moet je naderhand betreuren – dat is de lering. Onze brouille heeft me verdriet gedaan. Ik heb jarenlang gedroomd, dat we het weer bijgelegd hadden. Ha, we kunnen weer vrienden zijn! Maar dan werd ik wakker en wist ik beter.”
En Hermans’ verwijt over zijn bijgeloof? „Voorzover ik zelf weet is alle bijgelovigheid die ik afficheer, amusement. Een spelletje. Dat wist hij ook wel, daar gaat de correspondentie ook over. Maar ik heb altijd een hartstochtelijke relatie onderhouden met de wetenschap. Kennis gaat boven geloof. Dat is denk ik ook geldig in de evolutie. Geloof in wonderen kan incidenteel voordelen hebben, maar alleen waarachtige kennis beklijft. Die bestaat uit redeneringen waarin het bovennatuurlijke niet wordt toegelaten. Zo leven we aantoonbaar langer, dankzij de toepasbaarheid van de wetenschap.”
Hij denkt even na en zegt dan: „Anderhalf jaar geleden was ik opgegeven, het was op het randje. Ik heb toen niet de minste neiging gehad me over te geven aan het hogere. Ik dacht: zie je wel, ik laat me ook niet door omstandigheden verleiden tot onwaarheden.”
[In gesprek met Pieter Kottman, NRC Handelsblad 4 april 2009 ]
Subsidie voor Joop.nl is belachelijk Onlangs bepleiten Philippe Remarque (hoofdredacteur van deze krant), Frank Volmer van TMG (De Telegraaf) en Sander [...] | ||
Je weet dat iedereen die zegt dat Europa zich níet voorbereidt op de grexit, liegt Demissionair minister van Financiën De Jager zei gisteren in het debat over het ESM dat de PVV met alle [...] | ||
Facebook, het moderne poesiealbum De aandelen Facebook zijn kort na de beursgang achteruit gekacheld van 38 naar 34 dollar. Beleggers zijn dus alweer [...] | ||
Laat Hare Majesteit dan een mooi gebaar maken in deze zware tijden Het begrotingsakkoord, dat mensen hard treft, is de inzet bij de volgende verkiezingen. De neopopulisten zullen geen [...] | ||
De echte BAM! van dit jaar: de G500 van Sywert van Lienden Zo was je een rijzende ster binnen je partij, zo ben je ineens een hinderlijke figuur. Zo word je door de politieke [...] | ||
Mark Rutte is een bullebak Dus Mark Rutte is helemaal niet de aimabele, joviale, tweeduimenomhoog, sympathieke, sportieve, goedlachse, [...] | ||





|