Voor een columnist als hij zijn het gouden tijden. Maar Jan Blokker ziet ook de tegenkant: ‘De raarste mensen dienen zich aan als columnist.’ Hij ergert zich groen en geel aan de ‘kletsmeierij’, de ‘incest’ en het Grote Moreel Gelijk. Hoe moet het dan wel? Blokker over zijn gulden regels: een columnist moet ‘ontzettend aardig kunnen schrijven’ en hij moet er altijd zíjn. ‘Met eeuwigheidswaarde heeft het niks te maken.’
Ja, hoor, het gaat góéd met hem. Dank u. Soms droomt hij er zelfs over. ‘Dan loop ik het perron van de metro op, terwijl de trein er al aankomt. Ik trek een reusachtige sprint… en ik háál ’m.’ Waar die droom dan voor staat? ‘Nou, ja, dat ik er nog bén, dat ik nog méédoe.’ Maar laten we nou alsjeblieft niet meteen gaan ‘spichologiseren’. Daar heeft hij echt de pest aan. ‘Ik heb weinig preoccupatie met “Jan Blokker—. Dat kan mij erg weinig schelen.’
Hij onderging vorig jaar een zware operatie aan kanker. Maar columnist Jan Blokker (77) kwam onverbiddelijk terug. Drie keer per week geselt hij met onverminderde kracht nog altijd de Van Aartsens, de Cliteurs en de Knevels van deze wereld. Gewoon, omdat hij er nog steeds plezíér in heeft, zegt Blokker met een sardonisch lachje. ‘Ik denk nog steeds heel vaak: verdomme, hier moet ik iets over zéggen. Dit kán niet.’
De columnistiek is totaal uit haar krachten gegroeid, constateert Blokker tot zijn spijt. De kranten en weekbladen stromen de laatste jaren over van ‘kletsmeierij’. ‘Alleen de Volkskrant heeft misschien al wel vijftig columnisten. Achtenveertig van hen schrijven bij voorkeur over hun eigen ontboezemingen: over hun kat, of over dat ze wel of niet geslagen worden door hun man.’ Er zijn er maar een paar die zich, zoals hij, strikt vasthouden aan de actualiteit. ‘Ik ben geen Grote Commentator, zoals Leon de Winter, met zijn grote betogen over “de Joden— en “de Palestijnen—. Waar haalt die jongen het toch allemaal vandáán? Ik wil gewoon iets zeggen over de actualiteit. Het liefst iets origineels, dat iets toevoegt aan het debat.’ Hij had graag een column geschreven over het interview van Andries Knevel met ‘Abdul Rachman Mohammed Zusenmezo’. ‘Dat vond ik werkelijk weerzinwekkend. Vroeger riep je: “Telegraaf-methoden—, maar wat Knevel deed, was nog veel erger. Een abjecte manier van iemand woorden opdringen.’ Geknipt dus voor een Blokker-column. Maar Ronald Plasterk was hem voor. En ja, dan is zo’n onderwerp weg. ‘Dan is het mijn eer te na om nog een duit in hetzelfde zakje te doen.’ Maar laten ze bij de EO vooral niet te vroeg juichen. ‘Die Knevel krijg ik echt nog wel.’
Het zijn interessante tijden voor een columnist als hij, dat is zeker. Er waren perioden – ‘vooral onder Paars’ – waarin het hem soms grote moeite kostte om een onderwerp te vinden. Maar die dagen zijn voorbij. ‘Er dient zich zóveel aan. De tegenkant daarvan is dat ook de raarste mensen zich als columnist aandienen. Leon de Winter, Joost Zwagerman…’ Hij spreekt de namen uit alsof er maagzuur in zijn slokdarm oprispt. ‘Iedereen lult maar wat aan.’
U ook?
‘Nou, ja, ik probeer toch altijd net te doen alsof ik ontzettend over mijn opvattingen nadenk voor ik ze opschrijf.’ Zwagerman haalde laatst nog fel naar hem uit in Trouw; hij betichtte Blokker van ‘sinister sarcasme’ en typeerde de columnist als iemand bij wie je niet kunt onderduiken. Hij heeft het zelf niet gelezen, zegt Blokker schouderophalend, omdat hij wel wist waar het vandaan kwam. ‘Ik had mij vorig jaar flink aan Zwagermans stuntelige interviews in Zomergasten geërgerd, dus schreef ik er een stukje over. Iets als “hoe komt het toch dat iemand die boeken schrijft ineens op televisie gaat interviewen?— Ik kan heel aardig “Boer, er ligt een kip in het water— pingelen, maar dan zeg ik nog geen “ja— als Bernard Haitink mij vraagt voor het vierde pianoconcert van Beethoven. Dat doe je niet. Dat zat Zwagerman blijkbaar erg dwars. Die column in Trouw is gewoon een wraakactie. Dat maakt de man ook zo klein.’
Maar gaat u eens in op wat hij u verwijt.
‘Dat sarcasme klopt wel. Ik zou niet weten wat daar mis mee is. En over dat onderduiken… het vervelende is: áls Zwagerman ’t mij zou vragen, weet ik ook zeker dat ik hem niet in de kelderkast zou willen verbergen.’ Blokker gaat geërgerd verzitten. Hier heeft hij geen zin in, zegt hij. Dit is allemaal zo’n benepen gedoe. Waar gáát het eigenlijk over? Geprikkeld: ‘Het wordt zo’n incest, met die columnisten onder elkaar. Zwagerman reageert op Max Pam. En Max Pam is weer kwaad op Elsbeth Etty. Lieve hemel…’
Max Pam was ook kwaad op u.
‘Oók. Maar ja, Max Pam heeft echt een stukje van zijn herseninhoud verloren. Dat is werkelijk een beetje zielig. Zijn allereerste Parool-column afgelopen zomer ging erover dat ik vanwege (oud-Parool-hoofdredacteur) Sandberg met slaande deuren was vertrokken bij Het Parool. Sandberg belde mij op: “Ben ik dat soms vergeten, Jan?’ Maar ik kon hem uitleggen dat we nooit met elkaar te maken hadden gehad. Een domme uitglijder van Pam.’
Hij verweet u dat u badinerend over ‘Submission’ had geschreven.
‘Ik vónd die film ook echt een middelbareschoolactie. Ayaan Hirsi Ali vind ik sowieso een middelbareschoolmeisje. Ik zag haar een tijd geleden in Nova een bezoek brengen aan een moslimschool. Vroeg ze die kinderen van tien, twaalf jaar: wat is belangrijker, de grondwet of Allah? Waarop die kinderen gehoorzaam riepen: Allah. Zij reageerde op een manier van: deze kinderen kunnen net zo goed meteen de vuilnisbak in. Echt schandelijk om zo over de ruggen van kinderen je eigen gelijk te halen. Verderop, op de speelplaats, vroeg ze: maar waar is die Allah van jou dan? Sorry, hoor, maar zo doen meisjes in het derde jaar van de mulo dat ook. Quasi-provocerend. Het niveau van het schoolfuifje.’
De film was bedóéld als aanklacht tegen vrouwenmishandeling.
‘Dat zal best, maar ik zag het als de vrucht van een avondje schoolcabaret. Sommige leraren hebben er schik in, anderen fronsen hun wenkbrauwen, en de rector heeft achteraf spijt dat hij het heeft toegelaten.’
[bron: Vrij Nederland 2006]
Lees verder in Vrij Nederland





