Titanic-passagiers konden worden gered. Maar deze kapitein besloot anders

Het is de bekendste scheepsramp uit de geschiedenis van de mensheid: op 15 april 1912 voer de ‘onzinkbare’ Titanic op een ijsberg en zonk. 1.500 mensen verdronken, maar dat hadden er veel minder hoeven te zijn.

Twee boten in de buurt kregen alarmsignalen van de Titanic binnen. De dichtstbijzijnde, de Californian, bevond zich op amper twintig kilometer afstand. Een bemanningslid zag de noodpijlen die het zinkende schip afschoot en waarschuwde kapitein Stanley Lord. Die durfde het echter niet aan om door het gebied vol ijsbergen naar de Titanic te varen.

“Het gevaar voor zichzelf en zijn bemanning was te groot om te reageren”, vertelt Titanic-onderzoeker Daniel Allen Butler aan news.com.au. “De Californian deed niks.” Later beweerde Lord dat hij niet wist dat de pijlen van de Titanic afkomstig waren en dat hij veel verder weg was dan twintig kilometer. Maar dat is onzin, concluderen Britse onderzoekers nu. “Kapitein Lord kon veel, misschien wel alle levens op de Titanic gered hebben.”

Gelukkig was er een andere kapitein die wél lef had. Arthur Rostron bevond zich op honderd kilometer afstand en zette, direct nadat hij de alarmsignalen zag, zo hard als hij kon koers richting de Titanic. “Rostron verspilde geen seconde”, vertelt Butler. Ondertussen maakte de kapitein op zijn Carpathia plaats voor tweeduizend extra passagiers. Machinekamers werden omgebouwd tot hutten en zijn eigen passagiers verplaatste hij. Hij sloot de stoom af om nog harder te kunnen varen, waardoor het ijskoud werd aan boord.

Maar de Carpathia kwam te laat. De Titanic was anderhalf uur eerder gezonken. De enige overlevenden waren de mensen die een reddingsbootje hadden weten te bemachtigen. Dat waren er 705. Maar die waren vrijwel zeker aan onderkoeling gestorven als Rostron niet zo hard had gevaren, aldus Butler.

Bron(nen):   HLN  news.com.au