Verkeersplanoloog: “Files zijn helemaal geen probleem”

Elke dag in de file, het is menig forens een gruwel. Toch stappen we allemaal iedere dag opnieuw weer in die geld- en energieverslindende auto. Volgens verkeersplanoloog Karel Martens van de Radboud Universiteit in Nijmegen is dat het bewijs van het succes van het autoverkeer.

“Zelfs mét een file is de auto blijkbaar een uiterst aantrekkelijk vervoermiddel. Anders sta je daar niet, toch? Blijkbaar is het openbaar vervoer langzamer, duurder, minder comfortabel. Toch is het geklaag niet van de lucht als automobilisten in een opstopping terechtkomen. Ik vraag me af of de overheid daar haar oren naar moet laten hangen,” zegt Martens, zelf automobilist, in het AD.

Verkeersagressie wekken we zelf op door steeds te zeggen dat files onacceptabel zijn, maar ze zijn gewoon onderdeel van de autorit. Martens vindt automobilisten verwend. “Al bij een paar minuten vertraging is het de schuld van de overheid en moet het probleem met belastinggeld worden opgelost. Als dat zo is, dan moet die overheid zorgen dat iedereen zich gemakkelijk kan verplaatsen, niet alleen de automobilist. De staat trekt nu miljarden uit voor een groep die met gemak het land doorkruist en dus niks tekort komt. De mensen zonder auto worden vergeten. Automobilisten zijn een verwend volkje. Trein- en busgebruikers zijn gewend voor elk beetje extra service te betalen. Maar voor de autobezitter legt de gemeente gratis een parkeerplaats aan voor je huis, de werkgever regelt een plek bij het kantoor.”

“Niet de autobezitters hebben een probleem, maar de mensen zonder auto,” vervolgt hij. “Zij moeten drie keer overstappen om bij het ziekenhuis te komen en laten een doktersafspraak dus maar schieten, wat effect heeft op hun gezondheid. Zij zien hun familie en vrienden minder, wat effect heeft op hun geluk. Zij kunnen geen avondcursus volgen omdat ze dan de laatste bus naar huis niet halen en missen zo nieuwe kansen op de arbeidsmarkt. Ik vind het onbegrijpelijk dat zoiets kan in een rijk land als het onze.”

Bron(nen):   AD