zaterdag 11 februari 2012
voorpagina politiek economie samenleving media wetenschap opinie boeken cultuur
minder lezen, meer weten

KRO-primeur: het antwoord van het kabinet over Davids
donderdag 4 februari 2010
Door: Désirée du Roy
Categorie: Politiek

KRO's Reporter heeft een concept-brief van het kabinet over de commissie-Davids in handen. Het kabinet geeft daarin toe de Tweede Kamer onvolledig te hebben geinformeerd. De complete tekst:

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer, Aan de voorzitter van de Eerste Kamer

De commissie van onderzoek besluitvorming Irak onder voorzitterschap van mr.
Davids (hierna: ‚de commissie‛) is door ondergetekenden formeel ingesteld bij
besluit van 6 maart 2009. De commissie heeft op 12 januari jongstleden zijn
rapport aan de kabinet aangeboden onder gelijktijdige toezending aan beide
kamers der Staten-Generaal.
Het kabinet is, zo is reeds benadrukt bij de in ontvangstneming van het rapport,
de commissie zeer erkentelijk voor het vele werk dat in relatief korte tijd is
verricht.
 
Met onderhavige kabinetsstandpunt voldoet het kabinet aan zijn toezegging uit 
de brief van 13 januari 2010 en het daaropvolgende debat in de Tweede Kamer
om dit rapport leidend te laten zijn bijeen kritische terugblik op het verleden en
het trekken van lessen voor de toekomst.
Het kabinetsstandpunt volgt de indeling van het rapport van de commissie
themagewijs, en betrekt bij elk thema de daarop betrekking hebbende conclusies.
U treft tevens aan de antwoorden op de door de Kamers gestelde vragen.
 
Voorafgaand aan het geven van een reactie op het rapport acht het kabinet het op
zijn plaats enkele opmerkingen te plaatsen over de staatsrechtelijke context
waarbinnen de beoordeling van de door de commissie onderzochte
besluitvorming door het toenmalige kabinet, door het huidige kabinet
plaatsvindt.
De ministeriële verantwoordelijkheid is verbonden aan het ambt van de minister
en het grondwettelijk lidmaatschap van de ministerraad, ongeacht wie het ambt
vervult. Het staatsrecht is gebaseerd op de continuïteit van ambten en
ambtsvervulling. Dit is een kernelement in de democratische rechtsstaat waarin
het bestuur verantwoording aflegt. De ministeriële verantwoordelijkheid omvat
zowel de individuele als de collectieve ministeriële verantwoordelijkheid, met
inbegrip van de inbreng van individuele ministers in de ministerraad en de
totstandkoming en uitvoering van besluiten van de ministerraad. Met zijn
aantreden als minister neemt de nieuwe ambtsdrager van rechtswege de
verantwoordelijkheid op zich voor hetgeen zijn ambtsvoorgangers hebben
 
 2
gedaan of nagelaten en wordt dit hem in staatsrechtelijke zin toegerekend. Deze
ministeriële verantwoordelijkheid geldt onverkort en houdt in dat de
ambtsdrager over de vervulling van het ambt in het verleden verantwoording
aflegt door beantwoording van vragen en verstrekking van informatie. Hierbij
staat de ambtsvervulling in het verleden centraal, ongeacht de persoon van de
ambtsdrager. Een beoordeling of waardering vormt in staatsrechtelijke zin geen
onderdeel van de verplichting deze verantwoording volledig af te leggen.
Anderzijds kan een beoordeling of waardering evenmin leiden tot enige
beperking van de staatsrechtelijke verantwoordingsplicht.
Ministeriële verantwoordelijkheid beperkt zich uiteraard niet tot het verleden
maar houdt tevens in dat voor heden en toekomst beleid wordt ontwikkeld en
uitgevoerd. Dit kan het gevolg zijn van nieuwe ontwikkelingen en inzichten
maar ook van ervaringen en verantwoording. Beide vormen van de ministeriële
verantwoordelijkheid zijn staatsrechtelijk onlosmakelijk verbonden aan hetzelfde
ambt. In die zin kan de beoordeling van het verleden door een kabinet een
onderdeel zijn van de ministeriële verantwoordelijkheid voor gevolgen die voor
heden en toekomst verbonden worden aan nieuwe ontwikkelingen, ervaringen
en afgelegde verantwoording. Het kabinet zal tegen deze achtergrond ook lessen
trekken uit de besluitvorming in de periode zomer 2002 tot zomer 2003 over de
politieke steun van Nederland aan de inval in Irak.
 
 
1. Aanleiding voor de onderzoekscommissie besluitvorming Irak1
 
Het kabinet heeft 2 februari 2009 schriftelijk aan de Eerste en Tweede Kamer
voorgesteld een onafhankelijke commissie in te stellen om een onderzoek uit te
voeren naar de voorbereiding en besluitvorming in de periode zomer 2002 tot
zomer 2003 over de politieke steun van Nederland aan de inval in Irak in het
algemeen en over de aspecten van volkenrechtelijke aard, van de inlichtingen- en
informatievoorziening en van vermeende militaire betrokkenheid in het
bijzonder2. Directe aanleiding hiervoor was een veelheid aan vragen van de
Eerste en Tweede Kamer waardoor het kabinet zich voor een bijzondere
afweging zag gesteld. Enerzijds was er immers de blijvende steun van een
meerderheid van de Eerste en Tweede Kamer voor het kabinetsbeleid sinds 2002
en de hierover bij herhaling afgelegde verantwoording. Anderzijds waren er de
blijvende Kamervragen, die grotendeels met beide Kamers gedeelde afwegingen
uit 2002 en 2003 betroffen. Zoals verwoord in de brief aan de Kamers, heeft het
                                                
1
 Reactie op hoofdstukken 1 en 2 en conclusies 1 en 49
2
 Kamernummer brief
 
 3
kabinet moeten constateren dat het op reguliere wijze beantwoorden van
dergelijke Kamervragen niet meer leek te voldoen en dat er bovendien de indruk
van een gebrek aan openheid dreigde te ontstaan. 
 
Om deze redenen stelde het kabinet voor een onafhankelijke
onderzoekscommissie in te stellen. Nadat beide Kamers hiermee hadden
ingestemd, heeft het kabinet de commissie formeel ingesteld bij instellingsbesluit
van 6 maart 2009. Met de commissie is vervolgens een informatieprotocol
overeengekomen, waarin onder meer werd geregeld hoe de commissie van
staatsgeheime informatie kon kennisnemen en daarmee verder moest omgaan.3
Zoals ook te lezen is in het rapport van de commissie, is het informatieprotocol
op 9 april 2009 na een debat met de Tweede Kamer aangepast.4
 
 
2. Voorgeschiedenis: de periode 1990-2001
Conclusies: 2
 
In hoofdstuk 3 geeft de commissie een heldere schets van de gewapende
conflicten die zich in de jaren ’90 in de regio voltrokken, de onwil van Saddam
Hoessein om bindende resoluties van de Veiligheidsraad na te komen, diens
tegenwerking van de wapeninspecties door UNSCOM, IAEA en UNMOVIC,
alsmede de onzekerheid van de wereldgemeenschap over de aanwezigheid van
massavernietigingswapens in Irak. 
 
Verder geeft de commissie een beeld van de standpunten die de Verenigde
Naties, grote mogendheden en landen als Nederland in die periode innamen ten
aanzien van Irak. Het kabinet herkent de conclusie dat de achtereenvolgende
kabinetten Lubbers III, Kok I en Kok II, die van uiteenlopende politieke
samenstelling waren, het Amerikaans-Britse militaire optreden jegens Irak tussen
1991 en 2001 steunden, ook indien dit optreden niet door de Veiligheidsraad was
goedgekeurd. Wel werden er bij operatie Desert Fox in 1998 in de ministerraad
enkele andersluidende opinies gegeven. Ook de Tweede Kamer steunde in deze
periode de militaire interventies tegen Irak, met uitzondering van GroenLinks en
later de SP. Er was geen sprake van openbaar protest.
 
 
3. Maatschappelijke context: de publieke opinie en Irak
                                                
3
 Instellingsbesluit en protocol noemen
4
 Kamerstuk noemen
 
 4
Conclusies: 3, 4
 
De commissie geeft weer dat de Nederlandse discussies over Irak in de periode
2002-2003 zich afspeelden tegen de achtergrond van turbulente maatschappelijke
en politieke ontwikkelingen. In deze politiek onstabiele situatie ging de aandacht
van de Nederlandse bevolking in de eerste plaats uit naar binnenlandse
onderwerpen. Terecht schrijft de commissie dat de aandacht voor Irak lange tijd
‘betrekkelijk marginaal’ was en dat ‘een brede maatschappelijke discussie’
uitbleef. Voor zover er sprake was van een publiek debat bleef dat beperkt tot de
opiniepagina’s van enkele dagbladen.
 
De commissie schrijft voorts dat het besluit van de Nederlandse regering om niet
actief militair te participeren in een oorlog tegen Irak spoort met de uit
opiniepeilingen blijkende opvattingen van een meerderheid van de Nederlandse
bevolking. Het besluit politieke steun uit te spreken voor zo’n oorlog zonder dat
sprake was van een mandaterende resolutie van de Veiligheidsraad, ging in
tegen wat blijkens opinieonderzoeken de opvattingen was van een meerderheid
van de bevolking. Het kabinet herkent deze conclusies van de commissie. 
 
Het toenmalige kabinet heeft bij herhaling benadrukt dat bij haar besluitvorming
niet alleen naar het politiek draagvlak maar ook naar het maatschappelijk
draagvlak is gekeken. Het behoeft geen betoog dat het politiek draagvlak daarbij
leidend is. Uitkomsten van opinieonderzoek spelen een ondersteunende rol.
Vanzelfsprekend wil een kabinet steun en begrip voor beleid respectievelijk
beslissingen.
 
Uit peilingen eind 2002/begin 2003 van onderzoeksbureaus als Intomart, TNS
NIPO, Maurice de Hond en de Belevingsmonitor kwam naar voren dat een
meerderheid van de Nederlandse bevolking van mening was dat Nederland
geen militaire steun aan een eventuele inval moest verlenen. Het kabinetsbesluit
om die steun niet te geven is mede daarop gebaseerd geweest.
Het aantal peilingen dat in deze periode is uitgevoerd naar het draagvlak onder
de bevolking voor politieke steun is beperkter dan de peilingen naar militaire
steun. Dat is deels te verklaren uit het feit dat pas relatief laat deze mogelijkheid
in het publieke debat onder de aandacht is gekomen. Pas na het besluit van het
toenmalige kabinet is daar op ruimere schaal opinieonderzoek naar gedaan.
Hieruit blijkt dat het lastig is om draagvlak op het moment van besluitvorming goed
te meten. 
[Een van de lessen die hieruit te trekken valt, is dat bij dit soort ingrijpende
besluiten eerder en actiever gecommuniceerd moet worden over mogelijke
 
 5
beleidskeuzes met de samenleving. Pas als er een voldoende informatiebasis is,
kunnen er evenwichtige peilingen plaatsvinden die vervolgens weer betrokken
kunnen worden bij de uiteindelijke besluitvorming. Over de communicatie bij
niet-vastgesteld beleid zijn de laatste jaren diverse adviezen verschenen. Ik
verwijs bijvoorbeeld naar het advies van de Gemengde commissie communicatie
(de commissie-Wolffensperger) uit juni 2005.] 
 
Opiniepeilingen zijn evenwel nooit leidend voor de besluitvorming. Kabinetten
hebben een eigen verantwoordelijkheid en beschikken bij besluitvorming over
een brede afwegingenset waarbij peilingen vooral een ondersteunende rol
hebben. Het coalitieakkoord van het kabinet benoemt dit dilemma en spreekt
van ‘verwerven van een breed draagvlak voor het te voeren beleid’ en
tegelijkertijd van ‘de eigen verantwoordelijkheid *die+ de overheid heeft.’
 
 
4. Besluitvorming (Nederland, formatie)
Conclusies: 5, 6, 9, 10, 11, 12, 15, 33, 34, 35, 42, 43, 48
 
In de hoofdstukken 5 en 6 behandelt de commissie de besluitvorming in Den
Haag en de samenhang met de formatie. Centraal staan de ambtelijke
voorbereiding, de interdepartementale samenwerking en de uiteindelijke
politieke besluitvorming in de ministerraad en het parlement. Ook is er aandacht
voor de  Amerikaanse verzoeken aan Nederland om politieke en militaire steun.     
 
De brainstorm van 9 augustus 2002
Het rapport besteedt veel aandacht aan de brainstorm van 9 augustus 2002
(conclusie 5). Dat overleg wordt door de commissie weergegeven als een
‘achteloos’ georganiseerde korte sessie, en tegelijkertijd als hét bepalende
moment voor het regeringsstandpunt van 18 maart 2003. Daarmee gaat de
commissie voorbij aan de voorgeschiedenis en het veelvuldig overleg dat
nationaal en internationaal zou volgen, zoals dat ook uitvoerig staat beschreven
in het rapport.  
 
Voorgeschiedenis
De brainstorm van 9 augustus 2002 was geen trendbreuk in het denken op
Buitenlandse Zaken. Deze sessie vloeide voort uit de wens om met de nieuw
aangetreden minister een belangrijk dossier van buitenlands beleid te bespreken,
in het licht van de internationale ontwikkelingen en met het oog op het
naderende Gymnich-overleg (eind augustus 2002). Zoals door de Commissie
Davids in hoofdstuk 3 wordt beschreven, wortelde het dossier Irak in de jaren ’90
 
 6
en kende het een consistente Nederlandse lijn, die ook door voorgaande
kabinetten en ministers van Buitenlandse Zaken werd gedragen en herhaald met
de Tweede Kamer was besproken. Voor de deelnemers aan het overleg was dan
ook geen sprake van een omslag op het dossier, eerder van continuïteit.
Voorbeelden van continuïteit waren de onwil van Saddam Hoessein om gehoor
te geven aan de VN-resoluties over de ontwapening van Irak, de bezorgdheid bij
de internationale gemeenschap over de mogelijke aanwezigheid van
massavernietigingswapens in Irak en óók het volkenrechtelijke vraagstuk over
de legitimiteit van een eventuele militaire interventie. Bij dat laatste stond de
‘corpustheorie’ centraal, in 2002 en in voorgaande jaren.   
 
De brief van 4 september 2002
De brainstorm van 9 augustus 2002 vindt zijn weerslag in de brief die minister
De Hoop Scheffer op 4 september 2002 aan de Tweede Kamer stuurde.
Aanleiding was een verzoek van de Tweede Kamer, van 3 september 2002, aan
de minister van Buitenlandse Zaken om met spoed een brief over Irak te mogen
ontvangen. Op 4 september 2002 is de brief met voorrang verzonden. Indien de
Kamer een brief op een bepaald tijdstip wenst te ontvangen, dan is dat leidend in
het normale verkeer tussen Kamer en kabinet. Naar aanleiding van de brief
vroeg de Tweede Kamer op 5 september 2002 om een plenair spoeddebat voor
dezelfde dag, alvorens de minister van Buitenlandse Zaken zou afreizen naar
Washington op 6 september 2002. Zoals de Commissie Davids terecht opmerkt
(conclusie 5) is de brief uitgegaan van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Het Irak-dossier verkeerde op dat moment vooral in het buitenlandspolitieke
domein. Gezien de wens van de Tweede Kamer tot spoedige overlegging van
deze brief alsmede de aanstaande reis van minister De Hoop Scheffer, bestond er
evenmin ruimte voor extensieve interdepartementale afstemming dan wel
bespreking in de ministerraad van 6 september 2002.
 
De afstemming van het Irak-beleid
Dat de brief van 4 september 2002 afkomstig was van Buitenlandse Zaken
betekende niet dat die minister en een kleine kring van zijn ambtenaren het Irak-
dossier hebben gedragen met voorbijgaan aan andersluidende meningen dan
wel andere ministeries en bewindspersonen (conclusies 5 en 8). Op het ministerie
van Buitenlandse Zaken vond ambtelijke afstemming plaats tussen onder meer
de directies Veiligheidsbeleid, Midden-Oosten, Verenigde Naties, en Juridische
Zaken (zie ook onder hoofdstuk 8). Ook werd overleg gevoerd met de
Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland, bijvoorbeeld de
ambassades in Washington, Londen, Parijs, Berlijn en Bagdad alsmede met de
 
 7
permanente vertegenwoordigingen bij de NAVO en de Verenigde Naties. Voorts
was er ambtelijk overleg tussen de betrokken ministeries. 
 
Vanaf november 2002 voerden de minister-president en de ministers van BZK,
Buitenlandse Zaken en Defensie geregeld overleg over de ontwikkelingen in
Irak. Vanaf februari 2003 had dat overleg de status van onderraad van de
Ministerraad. Het vond toen wekelijks plaats, waarbij ook de vice-MP’s
aanwezig waren. Niet in de laatste plaats is het dossier Irak meermalen in de
ministerraad behandeld. Gezien de omvang van dit politiek overleg is niet
duidelijk wat de commissie bedoelt met de conclusie dat de minister-president
zich pas in een laat stadium intensief met het dossier Irak bezig is gaan houden,
en op een moment dat het regeringsstandpunt reeds vast zou liggen (conclusie
6). De MP heeft gedelegeerd aan de eerstverantwoordelijke minister en zijn rol
op het dossier vergroot toen de politieke situatie in binnen- en buitenland
daarom vroeg. 
 
Atlantische reflex
Het kabinet zou de beleidskeuzen van de toenmalige bewindspersonen niet
willen benoemen als een ‘Atlantische reflex’ (conclusie 16). Hoewel de
transatlantische band een hoeksteen is van het Nederlands buitenlands beleid,
geldt dat evenzeer voor de Europese Unie, aan welker eenwording Nederland
van begin af aan heeft bijgedragen. Nederland was vóór het VN-spoor, vóór een
tweede resolutie van de Veiligheidsraad en vóór een gemeenschappelijke EU-
positie ten aanzien van Irak. Zoals de commissie aangeeft, is bevordering van de
internationale rechtsorde een hoofddoelstelling van ons buitenlands beleid, en
heeft Nederland verschillende malen bij de VS gepleit voor een betere
samenwerking tussen de VS, de EU en de NAVO. Minister De Hoop Scheffer
heeft tijdens het Gymnich-overleg op 30 en 31 augustus 2002 een
gemeenschappelijk Europees standpunt bepleit. Voorts heeft Nederland de ‘brief
van Acht’ niet ondertekend, getracht een brug te slaan tussen Londen en Parijs,
en bij monde van de minister-president opgeroepen tot eenheid binnen de
Europese Unie. Tijdens zijn bezoek aan Washington, op 7 februari 2003, drong
minister De Hoop Scheffer aan op een tweede resolutie van de Veiligheidsraad.
Helaas bleken de Veiligheidsraad en de Europese Unie politiek zodanig verdeeld
te zijn, dat Nederland uiteindelijk een eigen afweging móest maken. 
Vanwege deze aanhoudende aandacht voor het Europese en het VN-spoor
meent het kabinet dat Nederland zich niet vroegtijdig achter de Amerikaans-
Britse positie heeft geschaard (conclusie 7). Evenmin is er sprake van herkenning
bij de kwalificatie ‘onwaarachtig’, die wordt gegeven aan het Nederlandse
standpunt. Veeleer is het de vraag of de Nederlandse regering destijds veel
 
 8
verder had kunnen komen, gelet op het feit dat met name de Britse en de Franse
regeringen zich diep hadden ingegraven, zoals de commissie zelf op pagina 118
van haar rapport constateert.  
 
De formatie
De commissie heeft de gecompliceerde situatie geschetst in de politiek in
Nederland in 2002 en 2003, als gevolg van de demissionaire status van het
kabinet, de verkiezingen die in deze periode plaatsvonden en, als gevolg
daarvan, de veranderende samenstelling van de Tweede Kamer en de synchroon
plaatsvindende (in)formatieonderhandelingen. 
 
Het kabinet neemt de conclusie (nr 10) van de commissie dat het onderwerp Irak
geen deel heeft uitgemaakt van de formatieonderhandelingen tussen PvdA en
CDA over, voorzover daarmee is bedoeld voorafgaande aan 18 maart en, in enge
zin, formeel aan de formatietafel. Zoals uit het rapport blijkt, is het onderwerp
als zodanig wel informeel voorafgaande aan 18 maart in de context van de
formatie besproken en verder ná 18 maart ook in formele zin aan de formatie-
tafel aan de orde gekomen; zoals het rapport op bladzijde 148 aangeeft werd op
24 maart op dit punt immers een akkoord bereikt. (conclusie 10)
 
Het kabinet onderschrijft verder de conclusie van de commissie dat er geen voor
alle partijen éénduidige afspraken zijn gemaakt over door de PvdA-fractie te
verlenen steun aan het besluit van het kabinet om politieke steun uit te spreken
voor een inval van de VS en het VK in Irak.  (conclusie 10)
 
Tevens onderkent het kabinet dat door het onvoldoende duidelijk vaststellen wat
nu precies onder ‘politieke steun’ moest worden verstaan, het gebruik van deze
term achteraf tot  verschillende interpretaties aanleiding heeft gegeven. Dat deze
verschillende interpretaties mogelijk waren adstrueert de commissie op pagina
151 van haar rapport, verwijzend naar het op 24 maart 2003 door CDA en PvdA
gezamenlijk vastgestelde persbericht.  (Conclusie 11)
 
Een deel van de analyse en (impliciete) aanbevelingen in dit verband ligt niet
geheel op het terrein van het kabinet. Het (in)formatieproces is immers primair
in handen van de Tweede Kamer. Wel wil het kabinet het vertrouwen
uitspreken, op basis van het onderzoek van de commissie, dat volgende
(in)formateurs en onderhandelaars namens partijen, gezien de kwaliteit en brede
verspreiding van het rapport, met de bevindingen van de commissie betreffende
het (in)formatieproces conform rekening zullen houden. Het gaat daarbij primair
om zorgvuldige omgang met de complexe interactie tussen de verschillende
 
 9
actoren in het (in)formatie-proces met name wanneer het gaat om voortgaande
internationale ontwikkelingen maar ook om zaken als het voldoende duidelijk
met elkaar uitspreken wat wordt bedoeld met specifieke begrippen en
aanduidingen, verslaglegging en notulering, archivering, de balans tussen
formele en informele contacten, de helderheid van gemaakte afspraken etc.   
 
 
5. Besluitvorming en internationale politiek
Conclusies: 13, 14, 16, 17, 23, 24, 
 
Hoofdstuk 7 behandelt de beleidsvoorbereiding en politieke besluitvorming in
Nederland in het licht van de internationale politiek, met name de Atlantische
band, de Europese Unie, de Verenigde Naties en de NAVO. Voorts gaat de
commissie in op de wapeninspecties, handelsbetrekkingen, en de benoeming van
minister De Hoop Scheffer tot secretaris-generaal van de NAVO.
 
De wapeninspecteurs
Nederland heeft er vanaf begin 2003 niet langer op aangedrongen dat de
wapeninspecteurs meer tijd zouden krijgen om vast te kunnen stellen of Irak zich
had ontwapend (conclusie 23). Dat neemt niet weg dat Nederland tot op het
laatste moment streefde naar een diplomatieke oplossing. Medio maart 2003 en
niet eerder accepteerde het kabinet echter dat die oplossing, inclusief meer tijd
voor de wapeninspecteurs, niet langer realistisch was. Op dat moment waren de
wapeninspecteurs al jarenlang niet in staat hun opdracht naar behoren uit te
voeren, vanwege de aanhoudende obstructie van hun werkzaamheden door
Irak. Gelet op het feit dat die conclusie keer op keer werd getrokken, en het
aantal openstaande vragen over het wapenarsenaal van Irak groot was, leidde
dat destijds vanzelf tot de conclusie dat aan dit proces een keer een eind moest
komen. 
 
Coalition of the willing 
Op vrijdag 14 maart 2003 hebben de Verenigde Staten gevraagd of Nederland op
de lijst van de ‘Coalition of the Willing’ kon worden vermeld. De VS vroeg vóór
maandag 17 maart 2003 een antwoord. Minister van Buitenlandse Zaken De
Hoop Scheffer besloot te wachten met het antwoord tot ná de ingelaste
ministerraad van 17 maart 2003. Het kabinet onderschrijft de conclusie van de
Commissie Davids dat in de turbulente gebeurtenissen rond 17 en 18 maart 2003
de besluitvorming inzake de vermelding van Nederland op de lijst van de
‘Coalition of the Willing’ niet via de Nederlandse ambassadeur aan de VS is
gecommuniceerd (conclusie 12). Ook kan het kabinet zich vinden in de visie dat
 
 10
de VS was gebaat bij de politieke steun van Nederland, omdat het mondiale
draagvlak voor de militaire interventie daardoor werd vergroot (conclusie 13).
Voorts herkent het kabinet zich in de visie van de Commissie Davids dat het
uitspreken van politieke steun aan de Brits-Amerikaanse actie niet was
gemotiveerd door Nederlandse handelsbelangen (conclusie 15). 
 
Stabilisatie- en reconstructiefase
Het kabinet is het eens met de conclusie dat Nederland er bij de Verenigde Staten
op heeft aangedrongen dat de Verenigde Naties een prominente rol zouden
krijgen in de stabilisatie- en reconstructiefase na afloop van de oorlog (conclusie
24). 
 
Benoeming SG NAVO
Het kabinet is verheugd dat de Commissie Davids bevestigt dat bij het besluit tot
politieke steun aan de militaire interventie in Irak de latere benoeming van
minister De Hoop Scheffer tot secretaris-generaal van de NAVO géén rol heeft
gespeeld (conclusie 48). Daarmee komt een einde aan de suggestie dat
zwaarwegende dossiers van buitenlands beleid ondergeschikt zouden zijn aan
benoemingskwesties alsmede aan geruchten die belastend waren voor de
persoon van De Hoop Scheffer. 
 
 
6. Volkenrechtelijke grondslag 
Conclusies: 7, 8, 18, 19, 20, 21, 22
 
In hoofdstuk 8 gaat commissie Davids in op de volkenrechtelijke grondslag voor
de militaire interventie in Irak. In dat kader wordt aandacht besteed aan het VN-
handvest, internationale vrede en veiligheid, diverse resoluties die de
Veiligheidsraad sinds 1990 met betrekking tot Irak heeft aangenomen, resolutie
1441 in het bijzonder, het vraagstuk van de 'tweede resolutie' alsmede de Haagse
ambtelijke en politieke besluitvorming terzake.     
 
Het volkenrechtelijk mandaat (conclusies 18, 19 en 20)
Wat betreft de volkenrechtelijke grondslag voor de militaire interventie in Irak
wijzen wij u op de brief die de minister-president op 13 januari 2010 aan de
Tweede Kamer heeft gestuurd in verband met de kabinetsreactie op het rapport
van de Onderzoekscommissie Irak. Destijds was de Nederlandse regering,
evenals die van verscheidene andere staten, van oordeel dat de betreffende
Veiligheidsraadsresoluties een toereikende grondslag vormden voor het - door
Nederland politiek ondersteunde - militaire optreden van de door de Verenigde
 
 11
Staten en het Verenigd Koninkrijk geleide coalitie. Gebleken is dat dit standpunt
in de internationale gemeenschap onvoldoende steun heeft gevonden en ook
door andere landen niet langer wordt aanvaard. Het toenmalig kabinet was er
echter van overtuigd dat toen een zuivere en integere afweging is gemaakt.
Hierover is uitvoerig met uw Kamer van gedachten gewisseld. Een ruime
Kamermeerderheid heeft het kabinet toen daarin gesteund.
 
In het coalitieakkoord dat ten grondslag ligt aan het huidige kabinet is reeds
bepaald dat een adequaat volkenrechtelijk mandaat is vereist bij deelname van
een missie met Nederlandse militairen. Deze bepaling is mede opgenomen tegen
de achtergrond van de discussie die bestond over de rechtsgrondslag van de
inval in Irak (zie ook de brief van de ministers van Buitenlandse Zaken en van
Defensie van 22 juni 2007 over de Nederlandse deelname aan vredesmissies:
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 29521, nr. 41). In het licht van deze
ontwikkelingen en met de kennis van nu aanvaardt het kabinet dat voor een
dergelijk optreden een adequater volkenrechtelijk mandaat nodig zou zijn
geweest.
 
DJZ in de organisatiestructuur van het ministerie van Buitenlandse Zaken
Met de Commissie Davids is het kabinet van mening dat de verdeeldheid binnen
het ministerie van Buitenlandse Zaken over het volkenrechtelijk mandaat
ongelukkig was (conclusie 21), ook al is het inventariseren en wegen van opinies
inherent aan ieder proces van beleidsvoorbereiding. Het aanpassen van de
organisatiestructuur van het Ministerie is niet noodzakelijk om een gedegen
inbreng van juridische adviezen in het buitenlands beleid te waarborgen
(conclusie 22). De Directie Juridische Zaken (DJZ) ressorteert direct onder de
secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken. Organisatorische inbedding onder
de SG en niet onder een directeur-generaal voorkomt enerzijds
ondergeschiktheid aan een van de beleidsterreinen van het Ministerie en biedt
anderzijds gelegenheid om via de hoogste ambtenaar van het Ministerie de
bewindspersonen gevraagd of ongevraagd te adviseren.
 
 
7. Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten
Conclusies: 25, 26, 27, 28, 29, 30 31, 32
 
In hoofdstuk 9 van het rapport behandelt de commissie de informatiepositie van
de MIVD en de AIVD betreffende het Iraakse programma voor
massavernietigingswapens (MVW) en het functioneren en de werkwijze van de
diensten. Daarnaast wordt de wijze beschreven waarop gebruik is gemaakt van
 
 12
de rapportages van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in de besluitvorming
en de informatie die daarover is verstrekt aan de Kamer. 
 
De informatiepositie, het functioneren en de werkwijze van de MIVD en AIVD
 
De commissie constateert dat de analyses van de AIVD en in het bijzonder de
MIVD genuanceerder waren dan de buitenlandse rapporten en dat zowel de
MIVD als de AIVD zich terughoudend hebben opgesteld over de dreiging die
uitging van het Iraakse MVW-programma. Ook heeft de commissie vastgesteld
dat de algemeen nuancerende berichtgeving van de AIVD en de MIVD in het
politieke besluitvormingsproces inzake Irak niet is overgenomen en dat de
beeldvorming over het Iraakse MVW programma in belangrijke mate gevormd is
door al dan niet openbare inlichtingeninformatie van de Verenigde Staten, het
Verenigd Koninkrijk en UNSCOM en UNMOVIC. Tevens heeft de commissie
opgemerkt dat de informatiepositie van de diensten zeer beperkt was. De
commissie stelt dat een kritische houding van de MIVD (in tegenstelling tot het
najaar 2002) in 2003 ontbrak, vooral ten aanzien van de presentatie door Powell
in de VN Veiligheidsraad op 5 februari 2003. De AIVD verrichtte over het geheel
genomen weinig eigen analyse betreffende het Iraakse MVW-programma. Wel
heeft de AIVD binnen Nederland in het kader van zijn non-
proliferatietaakstelling Iraakse verwervingspogingen geconstateerd. Ook merkt
de commissie op dat de MIVD door eigen militair-technische analyse de uit
andere bronnen beschikbaar zijnde informatie over dit onderwerp kritisch kon
toetsen.
 
Een goed voorbeeld van de militair-technische toets van de MIVD vormt de
kritische kanttekening die de dienst plaatste bij de ’45-minutenclaim’ uit het
Britse rapport van september 2002. Het is evenzeer correct te stellen dat de MIVD
uit eigen wetenschap weinig wist toe te voegen aan de hoofdpunten en
conclusies van de presentatie door Powell in de VN Veiligheidsraad op 5
februari 2003. De MIVD verkreeg in 2003 uit eigen bron of van partnerdiensten
geen extra, aanvullende informatie die nieuwe analyses betreffende de
aanwezigheid van MVW in Irak noodzakelijk maakten. De kritische
kanttekeningen ten aanzien van de vermeende Iraakse MVW-capaciteiten uit
eerdere jaren bleven daarom overeind staan. Het normbeeld uit 2002 behoefde
geen aanpassing. De op 5 februari 2003 gepresenteerde informatie werd door de
MIVD voor correct aangenomen op basis van de veronderstelling dat de
onderbouwing daarvan gebaseerd was op harde feiten en niet dat er sprake was
van gemanipuleerde informatie. Volgens de commissie heeft de MIVD in haar
rapport over de betreffende presentatie gesteld dat er niet voor moest worden
 
 13
teruggeschrokken de nodige actie te ondernemen om tot ontwapening van Irak
te komen, wat dat ook zou inhouden. Deze opmerking werd echter beschouwd
als onderdeel van een samenvatting van afsluitende opmerkingen van minister
Powell in diens presentatie, en niet als standpunt.
 
Het kabinet merkt daarnaast op dat de MIVD haar activiteiten ten aanzien van
Irak in 2003 heeft geïntensiveerd. In de eerste maanden van 2003 verschoof het
zwaartepunt in de werkzaamheden van de MIVD echter naar analyses van de
inzetgereedheid, het defensief vermogen en de wijze van optreden van de
Iraakse strijdkrachten in geval van een militaire inval. Ook werden de mogelijke
gevolgen van een militaire invasie van Irak voor de stabiliteit in de regio in kaart
gebracht. Vervolgens vergde na de inval de voorbereiding van de militaire
bijdrage die Nederland zou leveren aan de stabilisatie en wederopbouw van Irak
(SFIR) de nodige aandacht. Bij het opstellen van deze analyses was geen sprake
van een andere werkwijze dan in 2002. 
 
In het kader van de veiligheidstaak van de AIVD was het onderzoek van de
AIVD ten aanzien van Irak in de onderhavige periode vooral gericht op
verwervingspogingen van onderdelen van en grondstoffen voor de productie
van massavernietigingswapens in Nederland, de mogelijke gevolgen van een
oorlog in Irak voor de Nederlandse samenleving en de ongewenste inmenging
van de Iraakse inlichtingendienst in Nederland. De focus van dit onderzoek was
defensief van aard en concentreerde zich op Nederland. Pas sinds mei 2002, met
de inwerkingtreding van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002
(Wiv 2002), beschikte de AIVD over de zogenoemde inlichtingentaak buitenland;
de wettelijke grondslag om naast onderzoek ten aanzien van de binnenlandse
veiligheid ook onderzoek te doen betreffende andere landen, waaronder
begrepen Irak. De inlichtingentaak buitenland bevond zich in deze fase derhalve
nog in het eerste stadium van opbouw in de vorm van een projectorganisatie.  
 
In de periode 2004 - 2006 is de kwaliteit en de werkwijze van de AIVD en de
MIVD door externe commissies onderzocht (de commissie Havermans en de
commissie Dessens). Naar aanleiding daarvan heeft de regering besloten tot
versterking van de kwaliteit en omvang van beide diensten. Daarover is de
Kamer geïnformeerd. Voor wat betreft de MIVD  heeft dat geleid tot een verdere
versterking van de analysecapaciteit en tot een uitbreiding van de eigen
mogelijkheden om informatie te verwerven. De MIVD beschikt nu, in
tegenstelling tot 2002-2003, over eigen sensoren die de dienst in staat stellen om
in de prioritaire aandachtsgebieden in relatief korte tijd zelfstandige
informatieposities op te bouwen. Daartoe wordt ook nauwer dan voorheen
 
 14
samengewerkt met de krijgsmachtdelen. Ook is de samenwerking met de
buitenlandse zusterdiensten geïntensiveerd.
 
Sinds 2002 heeft de AIVD een proces van professionalisering, versterkte sturing
op het inlichtingenproces en personele groei doorgemaakt. Zo heeft ook de
inlichtingentaak buitenland van de AIVD een stevige impuls gekregen en heeft
deze inmiddels vorm gekregen in de staande organisatie. Daarbij geldt dat de
inlichtingentaak buitenland volwassen is geworden en dat de informatiepositie
van de AIVD in het kader van de inlichtingentaak buitenland aanmerkelijk is
toegenomen. Ook is in de samenwerking tussen beide diensten geïnvesteerd
door middel van het convenant AIVD/MIVD en de oprichting van de
contraproliferatie Unit. Tevens is door de ministers van Algemene Zaken,
Defensie en Binnenlandse Zaken in 2006 een convenant getekend om overlap in
werkzaamheden tussen de diensten uit te bannen en de samenwerking tussen de
AIVD en MIVD waar dat wenselijk en mogelijk is te versterken. Een belangrijk
resultaat daarvan is een gezamenlijke Unit contraproliferatie waar de kennis en
kunde van beide diensten op dat terrein is gebundeld. Het zelfstandige
oordeelsvermogen op het vlak van massavernietigingswapens is daardoor
aanzienlijk versterkt. Ook hebben beide diensten geïnvesteerd in een versterking
van de interne kwaliteitscontrole. De betrouwbaarheid van bronnen en de
kwaliteit van de beschikbare informatie worden nu doeltreffender getoetst.
 
Ofschoon Nederland met ‚relatief kleine diensten‛, zoals de Commissie Davids
dat noemt, niet over de capaciteit kan beschikken om wereldwijd een
informatiepositie op te bouwen, toont het rapport aan dat het noodzakelijk is dat
de Nederlandse diensten de capaciteit en kwaliteit hebben om een eigenstandige
inlichtingenpositie op te kunnen bouwen ten aanzien van een aantal voor
Nederland van belang zijnde specifieke landen of gebieden en maakt het rapport
duidelijk dat het noodzakelijk is dat de inlichtingen van de Nederlandse diensten
direct ingebracht worden in de politieke besluitvormingsprocessen waarvoor
deze relevant zijn. In nauwe samenspraak met de ministeries van Algemene
Zaken en Buitenlandse Zaken is in de afgelopen jaren focus aangebracht in de
inlichtingenactiviteiten van de diensten om de samenhang tussen dat onderzoek
en de majeure onderwerpen in het Nederlandse buitenlandbeleid te garanderen.
 
De commissie concludeert terecht dat het onwenselijk is dat inlichtingen van
buitenlandse inlichtingendiensten rechtstreeks naar departementen gaan zonder
tussenkomst van de AIVD of MIVD. Deze conclusie van de commissie heeft
rechtstreeks betrekking op de in het verleden gebruikelijke handelwijze van
enkele ambassades van bevriende landen om rapportages van hun
 
 15
inlichtingendiensten tevens aan de coördinator van de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten bij het ministerie van Algemene Zaken te geven. Aan deze
rechtstreekse informatieverstrekking is op verzoek van de coördinator een einde
gemaakt (PM: en hoe geldt dit voor BZ?). Aan het in ontvangst nemen van deze
rapportages in het verleden was overigens wel de voorwaarde gesteld dat deze
alleen aan de coördinator werden verstrekt als deze ook (gelijktijdig) aan één of
beide van onze eigen I&V- diensten werden verstrekt. Dit is steekproefsgewijs
ook nagegaan door de coördinator bij de diensten en hierop zijn geen
uitzonderingen geconstateerd. 
 
Ook ten aanzien van het For-your-Eyes-Only rapport, de Britse rapportage van
25 september 2002 die door PM Blair was toegezegd aan de minister-president en
die door de Britse ambassade in Den Haag is overhandigd aan de coördinator I&
V, was het de afspraak dat deze informatie op korte termijn eveneens aan de
MIVD , de AIVD en het ministerie van BZ zou worden gezonden. De coördinator
heeft op 26 september vastgesteld dat dit inderdaad is gedaan en er inhoudelijk
geen verschil bestond tussen de informatie die AZ had ontvangen en de
informatie die de andere departementen hadden ontvangen. Het kabinet hecht er
waarde aan dat de diensten informatie afkomstig van buitenlandse
inlichtingendiensten eerst valideren. Hiertoe zijn tevens sluitende afspraken
gemaakt met de buitenlandse partnerdiensten in een zogenoemde ‚code of
conduct‛.
 
Weging van rapportages en informatieverstrekking aan het parlement
Ondanks hun beperkte informatiepositie hebben de Nederlandse Inlichtingen- en
Veiligheidsdiensten een oordeel gegeven over de dreiging die uitging van het
Irakese MVW-programma en het regime van Saddam Hussein. De commissie
constateert dat de rapportages van de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten en in
het bijzonder de MIVD hierover genuanceerder of meer terughoudend waren
dan de openbare buitenlandse rapporten. Deze nuanceringen zijn echter niet
overgenomen door betrokken ministers en departementen. Ook stelt de
commissie dat de bewindspersonen in de communicatie met het parlement niet
dezelfde terughoudengheid hebben getoond en dat de diensten een grotere rol
werd toegedicht dan deze in werkelijkheid speelden.
 
Het kabinet deelt de mening van de Commissie dat zeker in de beginfase van de
besluitvorming over het beleid ten aanzien van Irak in het najaar 2002 er een
spanning bestond tussen de (meer stellige) communicatie door bewindspersonen
en de bij de diensten aanwezige informatie over de dreiging die uitging van het
Irakese MVW-programma. Zo had de MIVD kritiek op de Britse ‘45
 
 16
minutenclaim’, ging de dreiging vooral uit van de aanwezige kennis en kunde
om op termijn te kunnen beschikken over MVW en werden kritische
kanttekeningen geplaatst bij de inzetbaarheid van waarschijnlijk geachte
restvoorraden biologische en chemische wapens. Voor de meer stellige
formuleringen over de dreiging die uitging van Irak in de brief van de
toenmalige minister van Buitenlandse Zaken van 4 september 2002 was er geen
onvoldoende basis in de rapportages van de diensten.
 
De regering is echter van mening dat op hoofdlijnen de rapporten van de MIVD
en de informatie van de bewindslieden aan de Kamer in verreweg de meeste
gevallen overeen kwamen. Zowel de MIVD als de bewindspersonen waren van
mening dat de kennis en kunde van Irak op het gebied van MVW een dreiging
vormde en dat Irak over restanten van biologische en chemische wapens zou
kunnen beschikken. Dit is ook zo gemeld in debat met de CIVD. Voorts zij
opgemerkt dat de Commissie vaststelt dat er vrijwel niemand was die in die
periode in twijfel trok dat er van Irak een dreiging uitging. Centraal in de
afwegingen van de regering stond echter de vaststelling dat Irak de resoluties
van de VN Veiligheidsraad niet naleefde en dat het Irakese regiem de
wapeninspecties bleef hinderen. Daarbij heeft de regering zich gebaseerd op de
rapporten van UNMOVIC en het IAEA, de informatie van de diensten was op
dat punt vooral ondersteunend. Omdat niet zoals in andere landen gekozen is
voor de legitimatie van zelfverdediging in relatie tot de dreiging van MVW stelt
de Commissie dat de aandacht daarvoor van de zijde van de Kamer beperkt is
gebleven. Op dat vlak hebben de diensten ondanks hun beperkte
informatiepositie echter wel een rol gespeeld.
 
Terugkijkend in een debat met de Kamer heeft de toenmalige minister van
Defensie Kamp al op 14 december 2004 en op 15 maart 2005 te kennen gegeven
dat de informatieverstrekking op dit punt duidelijker had gemoeten. De huidige
regering deelt deze opvatting en is van mening dat het destijds voor de politieke
besluitvorming van toegevoegde waarde was geweest als er informatie was
gedeeld met de Kamer over de precieze aard van de Irakese dreiging en de
informatie waaraan dit oordeel ten grondslag lag. Zo had de splitsing tussen
kennis en kunde versus de waarschijnlijke aanwezigheid van restvoorraden
biologische en chemische wapens, alsook de kritische analyse betreffende de ’45-
minutenclaim’ in de CIVD gedeeld kunnen worden.
 
Inmiddels zijn de nodige veranderingen doorgevoerd met betrekking tot het
gebruik van de informatie van de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten en de
communicatie daarover met de Kamer. Daar waar passages uit rapporten van de
 
 17
diensten worden gebruikt in de communicatie met de Kamer zullen deze vooraf
aan de diensten ter toetsing worden voorgelegd. Procedureel is overeen
gekomen dat de opvattingen van de MIVD onversneden worden meegenomen in
de ambtelijke (voorbereiding van) besluitvorming binnen Defensie. In het
verkeer met de Kamer rondom de voorbereiding van de besluitvorming over de
inzet van eenheden is sindsdien uitgebreid aandacht besteed aan informatie van
de MIVD. Ook in artikel 100-brieven en stand van zaken brieven wordt, in nauw
overleg met de MIVD, nadrukkelijk aandacht besteed aan risico’s en dreigingen.  
 
(De inmiddels in de praktijk gebrachte les van intensivering van informatie uitwisseling,
zowel in het openbaar met de Kamer als in vertrouwelijkheid met de CIVD verloopt naar
tevredenheid. In het kader van mogelijke verdere verbetering stelt de regering voor samen
met de CIVD een studie uit te voeren naar de werkwijze ten aanzien van informatie-
uitwisseling tussen regering  parlement en diensten in een aantal ons omringende
landen).
 
 
8. Nederlandse militaire betrokkenheid
Conclusies: 36, 37, 38, 39, 40, 41,
 
In hoofdstuk 10 van het rapport behandelt de commissie de buitenlandse
verzoeken aan Nederland voor militaire bijdragen, de aard van de militaire inzet
waartoe Nederland (mede op basis van deze verzoeken) in de aanloop naar de
inval in Irak besloot en de wijze waarop informatie is verstrekt aan de Kamer
over de besluitvorming hieromtrent. Daarnaast beschrijft de commissie hoe
Defensie het uiteindelijke besluit om geen militaire steun te verlenen bij de inval
effectueerde.   
 
De commissie stelt dat het kabinet tegenover het parlement geen volledige
openheid van zaken heeft gegeven over het Amerikaanse verzoek van 15
november 2002 om mee te werken aan de planning van de opbouw van een
militaire macht die Irak tot toegeven aan Veiligheidsraadresolutie 1441 moest
dwingen. Er wordt gesteld dat het verzoek voor meer dan één uitleg vatbaar is,
blijkens de uitspraken van toenmalige bewindslieden daarover. Het onderscheid
dat de toenmalige regering in de communicatie aan de Kamer maakte tussen het
eerste en het tweede deel van het verzoek acht de commissie geen recht doen aan
de mogelijke verschillen van interpretatie. Ten aanzien van de instemming met
Host Nation Support (HNS) merkt de commissie op dat de Kamer niet conform
toezegging tijdig is geïnformeerd. Met het oog op het besluit tot inzet van de
Patriots in Turkije concludeert de commissie in tegenstelling tot de opvatting van
 
 18
het toenmalige kabinet dat deze capaciteit en inzet niet louter als defensief kan
worden beschouwd. 
 
Het Amerikaanse verzoek van 15 november 2002
Het verzoek in kwestie betreft een ‘Secret’ geclassificeerd document (het aide
memoire of memorandum in bijlage L van het rapport) dat door tussenkomst van
de Amerikaanse ambassade door Buitenlandse Zaken op 15 november 2002 is
ontvangen. Het kabinet onderschrijft de conclusie dat geen volledige openheid
van zaken is verschaft over dit verzoek. Verzoeken als deze werden en worden
beschouwd als documenten die kunnen leiden tot een inventarisatie en het
eventueel planmatig beschikbaar stellen van militaire eenheden. Het wordt
onwenselijk geacht dat het kabinet informatie verstrekt over sonderingen en
voorbereidende contacten tussen landen, indien dit niet leidt tot besluitvorming
over concrete, uitgewerkte opties voor militaire bijdragen. Of zoals de
toenmalige minister van Buitenlandse Zaken het formuleerde in zijn gesprek met
de Commissie: een verzoek om militaire bijdragen wordt pas ‘formeel’ indien er
op basis van sonderingen en voorbereidende diplomatieke en militaire contacten
uitzicht is op een positief besluit. Daarnaast heeft informatie uit het
voorbereidende verkeer een vertrouwelijk karakter en zal er per definitie geen
volledige openheid van zaken over dit soort informatie worden gegeven. 
 
Het document werd door het toenmalig kabinet opgevat als een tweeledig
verzoek. Dit betrof naast de vraag om een defensieve, ondersteunende bijdrage
bij de opbouw van een troepenmacht rond Irak (het eerste deel van het verzoek)
tevens een uitnodiging om nadere invulling te geven aan een inventarisatie van
militaire capaciteiten voor planningsdoeleinden. Dit laatste had betrekking op
capaciteiten die pasten bij een deelname aan offensieve acties (tweede deel van
het verzoek). Ook dit tweede deel van het verzoek werd nadrukkelijk gezien
tegen de achtergrond van het opbouwen van druk op Irak om alsnog gehoor te
geven aan resoluties die strekten tot ontwapening. Het document is destijds niet
opgevat als een formeel verzoek tot deelname aan een gewapende invasie van
Irak. Deze interpretatie wordt door de Commissie onderschreven (pagina 358). 
 
Zoals gemeld in de verklaring van de minister president op 12 januari jl. is de
Kamer in twee brieven geïnformeerd over dit verzoek en het oordeel daarover
van het toenmalig kabinet. Op 21 november 2002 werd kennis gegeven van de
ontvangst en van de start van onderzoek naar de mogelijkheden om aan het
verzoek gevolg te geven. In de Kamerbrief van 6 december volgde de
beoordeling van het verzoek en het uitspreken van een beginselbereidheid om
tegemoet te komen aan de Amerikaanse wens om een bijdrage te leveren aan
 
 19
ondersteunende en defensieve taken. Daarbij werd opgemerkt dat er contact zou
volgen met de VS om tot een concreter planningsaanbod te komen. Hoewel er
eind januari 2003 een tweede Amerikaans verzoek kwam op basis van
vervolgcontact half januari 2003 in Tampa (28 januari 2003), is er niet besloten om
naast defensieve, ondersteunende inzetopties (zoals Host Nation Support en de
inzet van Patriots in Turkije) een aanvullende bijdrage uit te werken die viel
onder het tweede deel van het document van 15 november 2002. Bij het
genoemde overleg gold het expliciete voorbehoud dat een feitelijke ter
beschikkingstelling van eenheden voor planningsdoeleinden afhankelijk werd
gemaakt van de politieke afweging of er sprake was van material breach door Irak
van resolutie 1441.
 
Dit laat onverlet dat de Kamer meer informatie verschaft had kunnen worden
over het Amerikaanse verzoek van 15 november. De regering wijst hierbij op de
mogelijkheid om in bijzondere gevallen de Kamer vertrouwelijk te informeren,
zoals de afgelopen jaren met betrekking tot militaire inzet is voorgekomen.
 
Instemming met Host Nation Support
De commissie stelt dat het parlement eerder op de hoogte gesteld had moeten
worden van het besluit tot faciliteren van de doorvoer van Amerikaans personeel
en materieel over Nederlands grondgebied en het verlenen van
overvliegvergunningen in het kader van HNS. In de Kamerbrief van 17 februari
2003 meldde de toenmalige minister van Defensie dat het kabinet had ingestemd
met het Amerikaanse verzoek daartoe, met verwijzing naar de eerdere
Kamerbrief van 6 december 2002. De ondersteunende activiteiten startten
diezelfde dag (17 februari 2003). Op basis van de bewoordingen van de brief van
6 december 2002 oordeelt de commissie over deze brief dat ‘moeilijk anders dan
van een beginselbesluit [kan] worden gesproken, waarop een nader besluit had
moeten volgen’. En voorts: ‘Mededeling van het regeringsvoornemen had reeds
eerder, in de dagen na de ontvangst van de Letter of Intent op 27 januari, kunnen
plaatsvinden’. In de conclusies wordt voorts gesproken over de toezegging die
het kabinet zou hebben gedaan om de Kamer tijdig te informeren over dit
onderwerp. Dit verwijst naar de formulering van de brief van 6 december 2002
(pagina 384).
 
Het kabinet constateert met de commissie dat in de Kamerbrief van 6 december
2002 wordt gesproken over beginselbereidheid betreffende het verlenen van
overvliegvergunningen en het faciliteren van doorvoer over het Nederlandse
grondgebied. Het kabinet deelt echter niet de opvatting van de commissie dat na
de brief van 6 december 2002 eerst een voornemen moest worden gemeld aan de
 
 20
kamer, alvorens definitief in te kunnen stemmen met deze vorm van
steunverlening. Ten aanzien van steunverlening in het kader van HNS bestond
en bestaat geen plicht om de Kamer voorafgaand aan de inzet van de krijgsmacht
te informeren. De juridische basis voor Host Nation Support ligt in een stelsel
van verdragen en gewoonterechtelijke normen over wederzijdse militaire hulp
tussen NAVO bondgenoten in het algemeen, en tussen Nederland en de VS in
het bijzonder. Uit dit stelsel vloeit voort dat bondgenoten jegens elkaar een
coöperatieve opstelling hebben en maximale wederzijdse hulp nastreven. Dit
stelsel vormde zowel de juridische basis als de achtergrond voor de (politieke)
keuze van het kabinet voor het faciliteren van de doorvoer van Amerikaans
materieel en personeel en de overvliegvergunningen. Het kabinet beschouwt de
Kamerbrief van 17 februari 2003 als de instemming met een specifiek verzoek
binnen dit kader, dat volgde op een al eerder uitgesproken beginselbereidheid.
Over dit specifieke verzoek was de Kamer op 4 februari 2003 geïnformeerd in de
beantwoording van vragen van het Lid Van Bommel (voetnoot 118, pagina 384).
Deze visie werd destijds door de toenmalige minister van Defensie op verzoek
van de Kamer reeds uiteengezet in de brief van 19 februari 2003 (Kamerbrief 23
432, nr. 86). 
 
Het kabinet is van mening dat de toezegging in de laatste passage van de
Kamerbrief van 6 december 2002 vooral betrekking heeft op de beoordeling van
material breach en de eventuele beschikbaarstelling van militaire capaciteiten die
daaruit kon voortvloeien. Het instemmen met HNS stond los van de beoordeling
van material breach. Het toenmalig kabinet heeft met het parlement van gedachten
gewisseld over de beoordeling van (further) material breach door Irak maar heeft
niet besloten om op basis van haar beoordeling hieromstrent aanvullend
militaire capaciteiten beschikbaar te stellen. Dit besluit is per brief aan de kamer
gemeld op 18 maart 2003 (Kamerbrief 23 432, nr. 94). 
 
Met het oog op de inlichtingenplicht voortvloeiend uit artikel 68 van de
Grondwet valt het volgende op te merken. Op verzoek van het lid Koenders
heeft de toenmalige minister van Defensie op vertrouwelijke wijze nadere
informatie verschaft over veiligheidsmaatregelen rond de doorvoer van
Amerikaans militair personeel via Schiphol (pagina 385). Hieruit blijkt dat bij de
overweging van de toenmalige minister van Defensie om informatie openbaar te
maken het belang van de staat een rol speelde. Hoewel het kabinet erkent dat
verstrekking van aanvullende informatie in een vroeg stadium over de invulling
van verzoeken in het kader van HNS van nut kan zijn voor de beoordeling door
de Kamer, moet tegelijkertijd worden vastgesteld dat dit belang moet worden
gewogen tegen belangen van veiligheid en openbare orde. Het oordeel van de
 
 21
tijdigheid van informatieverschaffing is primair een oordeel van het parlement.
Het parlement moet vaststellen of het door het ontbreken van (tijdige) informatie
zijn controlerende taak nog op goede wijze kan uitvoeren. Hoewel er kritiek was
op de tijdigheid van de informatieverstrekking inzake het besluit tot instemming
met HNS was dit niet de opvatting van de meerderheid van de Kamer tijdens het
debat op 19 februari 2003.
 
Inzet van Patriots in Turkije
De commissie stelt dat het onderscheid dat het toenmalig kabinet maakte tussen
offensieve en defensieve wapens, waarbij Patriot-systemen als louter
verdedigende wapens werden gezien, aanvechtbaar is. Het kabinet constateert
dat in het Amerikaanse verzoek van 15 november 2002 Patriot-systemen in de
opsomming van het tweede deel zijn opgenomen. Patriots worden echter
tegelijkertijd gerekend tot de in het eerste deel van het verzoek genoemde
‘Theatre Missile Defense / Air Defense capaciteit. Uiteraard kunnen defensieve
wapensystemen een rol spelen bij het verdedigen van eigen offensieve middelen
en operaties (zoals bedoeld in de opsomming van het tweede deel van het
verzoek), maar daarmee betreft het nog niet een offensief wapen. Vanuit de
posities in Diyarbakir en Batman kon, gelet op de systeemkarakteristieken, niet
met enige kans op succes op eventuele doelen in het Irakese luchtruim worden
gevuurd. In die zin zijn de Nederlandse Patriots ingezet als defensief wapen. Het
standpunt van de toenmalige regering dat de Patriots louter ter verdediging
werden ingezet wordt in de context van stationering in Diyarbakir en Batman
niet aanvechtbaar geacht.
 
In aanvulling op het rapport kan worden opgemerkt dat al tijdens de
Nederlandse verkenningsmissie in Turkije in februari 2003 de Turkse autoriteiten
druk uitoefenden om de Nederlandse Patriotsystemen niet, zoals tussen Turkije
en de Verenigde Staten overeengekomen, te Diyarbakir en Batman te stationeren,
maar nabij de Ataturkdam en op locaties in de nabijheid van de Irakese grens,
vermoedelijk omdat hier concentraties van het Turkse leger en hoofdkwartieren
aanwezig waren. Door Defensie is op geen enkele wijze tegemoet gekomen aan
deze Turkse wens. Voorts komt in het rapport niet tot uiting dat de ontplooiing
van de Patriots begon als een bilaterale activiteit, maar dat de Patriots tijdens de
ontplooiing deel gingen uitmaken van de Navo-operatie Display Deterrence.
 
Overige militaire inzet
Zoals de commissie terecht constateert heeft noch het fregat, noch de
onderzeeboot die in de Perzische Golf werden ingezet in het kader van
Operation Enduring Freedom een bijdrage geleverd aan de inval in Irak. Het
 
 22
fregat bleef ook tijdens en na de inval haar taken uitvoeren in het kader van de
Operatie Enduring Freedom. Door de oorlog in Irak was er wel sprake van een
nieuwe veiligheidssituatie. In verband daarmee zijn, in aanvulling op het
rappport van de commissie, de ROE’s voor het fregat aangepast.
 
Effectuering van het besluit geen militaire steun te verlenen bij de inval
Ten aanzien van het voorval waarbij, na het besluit van de toenmalige regering
om geen militaire steun te leveren bij de inval in Irak, een Nederlandse officier
aanwezig was bij een persconferentie van de Amerikaanse bevelhebber Franks
op 22 maart 2003, zij nog het volgende opgemerkt. Toenmalig minister van
Defensie Kamp gelastte direct na het voorval een intern onderzoek naar de
toedracht. Aangezien in het onderzoek bleek dat er sprake was van een
organisatorisch falen, is besloten het Defensie Crisisbeheersingscentrum (DCBC)
te versterken met een extra stafofficier. In een daaropvolgende reorganisatie van
de Defensiestaf is het DCBC omgevormd tot de Directie Operaties en is de
capaciteit van dit deel van de defensiestaf verder uitgebreid. 
 
Met betrekking tot de terugtrekking van de op Britse oorlogsvaartuigen
aanwezige Nederlandse uitwisselingsofficieren deelt het kabinet de opvatting
van de commissie dat irritatie bij de Britse marine had kunnen worden
voorkomen, door niet in de laatste fase voor de inval in Irak te besluiten deze
militairen van boord te halen.
 
9. Artikel 100 Grondwet en toetsingskader 2001
Conclusies: 44 45, 46, 47
 
In retrospect is het kabinet van mening, dat het beter was geweest als bij het
besluit tot uitzending van de Patriots en de begeleidende militairen naar Oost-
Turkije, die met het oog op de verdediging van het bondgenootschappelijk
grondgebied plaatsvond, de Kamer langs de lijnen van het Toetsingskader was
geïnformeerd.
 
In artikel 97 van de Grondwet is vastgelegd dat de doelomschrijving van de
krijgsmacht bestaat uit de volgende onderdelen: de verdediging, de bescherming
van de belangen van het Koninkrijk, de handhaving en de bevordering van de
internationale rechtsorde. Onder de verdediging valt ook de
bondgenootschappelijke verdediging. De actieve inlichtingenplicht van artikel
100 heeft uitsluitend betrekking op het laatste element van de doelomschrijving
van artikel 97: de handhaving en de bevordering van de internationale
rechtsorde. Het kabinet heeft met haar brief van 7 februari 2003 de Kamer
 
 23
geïnformeerd nadat zij haar besluit in reactie op het Turkse verzoek had
genomen.
 
Conform de destijds en nu geldende uitleg van artikel 100 Grondwet was artikel
100 formeel niet van toepassing op inzet van militaire eenheden met het oog op
de verdediging, waaronder de bondgenootschappelijke verdediging. In de loop
der jaren is in het overleg tussen regering en parlement wel de praktijk gegroeid
dat bij uitzending van de krijgsmacht waarbij, naast de doelstelling van
verdediging - met inbegrip van bondgenootschappelijke verdediging - of
behartiging van belangen van het Koninkrijk, mede de handhaving resp.
bevordering van de internationale rechtsorde speelt, het parlement langs de
lijnen van het Toetsingskader wordt geïnformeerd. Zulks conform het AIV-
advies 'Inzet van de krijgsmacht' van mei 2007. Dat is recentelijk vastgelegd in
het Toetsingskader 2009 en maakt daarmee deel uit van het geheel van afspraken
tussen regering en parlement in dit kader.
 
 
10. Verantwoording
Conclusies: 1, 49
 
De commissie doet verschillende observaties in de hoofdstukken 1 en 2 die
samenhangen met de instelling van de commissie en haar werkzaamheden. Zij
komt op die punten tot enkele conclusies (1 en 49). Het kabinet wil daar
hieronder nader op ingaan.
 
Onderzoek in een eerder stadium
Allereerst merkt de commissie op dat het beter was geweest wanneer het
onderzoek in een eerder stadium was verricht. Dit zou binnen en buiten het
politieke speelveld veel ongenoegen hebben doen voorkomen, aldus de
commissie, en het had de indruk kunnen voorkomen dat het kabinet iets te
verbergen zou hebben. Voorts had het de uitvoering van het onderzoek
vergemakkelijkt; dit werd nu bemoeilijkt door de lange tijdsduur die er is
verstreken sinds 2002.
Zoals de commissie ook opmerkt in haar rapport heeft het parlement de regering
tot aan de instelling van de commissie in 2009 bij herhaling ter verantwoording
geroepen over de besluitvorming in 2002 en 2003. Bij die gelegenheid had het
parlement ertoe kunnen besluiten zelf een onderzoek in te stellen. Zoals
hierboven gesteld, heeft het kabinet uiteindelijk een onafhankelijk onderzoek
laten uitvoeren, vanwege de ontstane indruk dat het kabinet moedwillig zaken
 
 24
verborgen hield. Het kabinet kon deze onjuiste indruk niet laten voortbestaan.
[pm: nog in te voegen een conclusie of opinie van kabinetszijde op dit punt].
 
Ministers van staat
De commissie plaatst een aantal opmerkingen bij de in de brieven van de
minister-president aan de Eerste en Tweede Kamer van 2 februari 2009
uitgesproken voorkeur voor de opname van enkele ministers van staat in de
commissie. Achterliggende gedachte bij deze suggestie vanuit het kabinet, was
de ruime bestuurlijke en politieke ervaring van deze personen alsmede hun
brede ervaring met internationale betrekkingen en vraagstukken van
internationaal recht. Mr. Davids heeft evenwel de vrijheid gekregen om zelf zijn
commissie samen te stellen.
 
Veiligheidsonderzoeken commissieleden en medewerkers
Naar de leden en medewerkers van de commissie zijn veiligheidsonderzoeken
verricht (niveau A). Dit was wettelijk noodzakelijk gezien de wens om de
commissie maximale toegang te geven tot staatsgeheime informatie zoals de
notulen van de ministerraad, informatie van de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten en informatie van buitenlandse partners. De AIVD heeft al
het mogelijke gedaan om de veiligheidsonderzoeken zo snel mogelijk te starten
en af te ronden, opdat de commissie niet werd belemmerd in de uitvoering van
haar taak.
 
Rubricering
De commissie merkt op dat in Nederland niet zoals in zoveel landen daarbuiten
wel het geval is, een stelsel wordt gehanteerd waarin na verloop van zekere tijd
een toetsing plaatsvindt of een rubricering versoepeld of opgeheven kan worden
door derubricering. Hierdoor zou de geschiedschrijving en waarheidsvinding in
algemene zin zonder voldoende grond worden belemmerd.
Rubriceringstermijnen zijn vastgelegd in het Voorschrift Informatiebeveiliging
Rijksdienst- Bijzondere Informatie (VIR-BI), en nader uitgewerkt in
departementale regelgeving of besluiten. Het betreft hier in alle gevallen
bijzondere informatie waarvan beveiliging is vereist. De daartoe bevoegde
autoriteit bepaalt zowel de hoogte van de rubricering (en daarmee de zwaarte
van de beveiligingsmaatregel) als de termijn. Dit wordt per geval bepaald. De
duur is conform artikel 6 van het VIR-BI maximaal 10 jaar of aan een bepaalde
gebeurtenis verbonden. Uitzonderingen hierop zijn aangegeven in artikel 6, lid 2.
Voor de uitzonderingen geldt een termijn van uiterlijk twintig jaar en deze
dienen na die termijn door de ambtenaar als bedoeld in artikel 8 onderzocht te
worden op de mogelijkheid om de rubricering te herzien of te beëindigen. 
 
 25
Daarnaast worden in het kader van archiefoverdracht aan het Nationaal Archief
na 20 jaar of andersoortige onderzoeken sowieso van geval tot geval de
benodigde documenten getoetst aan de rubriceringscriteria en, zonodig,
gederubriceerd. Het kabinet ziet geen aanleiding deze regelgeving aan te passen.
 
Voorbereiding interviews
Zowel (oud-)bewindspersonen als (oud-)ambtenaren waarmee de commissie
gesprekken heeft gevoerd, zijn per brief in de gelegenheid gesteld om archieven
in te zien voor het gedeelte waarbij zij zelf destijds waren betrokken. Er zijn geen
instructies of richtlijnen verstrekt over de wijze waarop de interviews zouden
moeten gaan. In de betreffende brief zijn betrokkenen voor hun contact met de
commissie ontheven van hun geheimhoudingsplicht voortvloeiend uit het
Reglement van Orde voor de ministerraad, de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten dan wel de Ambtenarenwet. De commissie stelt dat
ontheffing van die plicht reeds lag besloten in het instellingsbesluit en het
informatieprotocol. Het kabinet meent er goed aan te hebben gedaan, wellicht
ten overvloede, om betrokkenen ook individueel van de betreffende
geheimhoudingsplicht te ontheffen. Aldus kon er geen twijfel over bestaan dat
men tijdens het gesprek met de commissie vrijuit mocht spreken. [PM: graag ook
de mogelijke indruk wegnemen dat gesprekken ter voorbereiding op het
interview met de commissie, door de ministeries werden gearrangeerd. Voor AZ
is dat in elk geval niet het geval, maar kunnen we dan ook met zekerheid zeggen
tav de andere ministeries?]
 
Openstaande Kamervragen
Het kabinet deelt de redenering van de commissie betreffende de beantwoording
van de openstaande Kamervragen. Zoals ook 3 februari 2009 schriftelijk door de
minister-president aan de Tweede Kamer gemeld en in daaropvolgende debatten
bevestigd, geldt de ministeriële verantwoordelijkheid voor de aan de commissie
doorgezonden vragen. De antwoorden op de openstaande Kamervragen zijn in
een bijlage bij de kabinetsreactie opgenomen. Per Kamervraag is bezien of kon
worden volstaan met een verwijzing naar het rapport of dat een antwoord
diende te worden geformuleerd.
 
Slot
 
 
De Minister-President,
minister van Algemene Zaken,
 
 
 26
De minister van Buitenlandse Zaken,
 
De minister van Defensie,
 
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
 
 
 
 
 
 
Bijgevoegd: antwoorden op vragen Tweede Kamer en Eerste Kamer
 

Bron: Reporter

  < 
    
 > 

Meer berichten:

Reacties (3)
Onvolledig geïnformeerd = aftreden. Zo.
Geplaatst op: donderdag 4 februari 2010 | Door: Knospe

Veni, vidi, vacatum.
Geplaatst op: vrijdag 5 februari 2010 | Door: dagniaux

en wie heeft de brief helemaal gelezen? ;)
Geplaatst op: vrijdag 5 februari 2010 | Door: dingetje ()



Reageren

Om te kunnen reageren moet u zich eerst hier registeren.
Reacties die niet voldoen aan de huisregels worden verwijderd.

Wachtwoord   

Vink aan als u niet wilt dat uw emailadres gepubliceerd wordt

foto
Chinese Twitter zegt dat Kim Jung Un dood is
Weibo is de Chinese versie van Twitter en vrijdag was daar een aanzwellend gerucht dat de kersverse leider van Noord [...]

foto
Van welke beroemdheden hield de FBI nog meer een dossier bij?
Behalve van

foto
CDA en Verhagen (eindelijk) op ramkoers met de PVV
Het CDA wil dat VVD en PVV akkoord gaan met hervormingen in de zorg, op de arbeids- en de woningmarkt. Hiermee [...]

foto
Ed Nijpels vindt het niks: De VVD lijkt teveel op de partij van Wilders
Er wordt steeds meer gemord in de VVD, zegt Ed Nijpels, oud partijleider, in het AD. Maar bijna niemand durft dat [...]

foto
Bij wie hebben de Grieken géén schuld?
Als we al dat geld per vrachtwagen naar Griekenland brengen wordt het een heel lange file!

foto
Satellieten en drones bespioneren Europese boeren
De EU besteedt miljarden per jaar aan landbouwsubsidies. En in plaats van inspecteurs worden steeds vaker satellieten [...]
De Koppensneller
Feminisme is nog niet dood: vijftigers willen ook neuken (19:22) De Pers

Corrupte Italianen moeten oppassen, de Italiaanse fiscus is op oorlogspad. (17:53) Follow the Money

'Kuifje in Afrika' wordt niet verboden (17:55) de Pers

Fietsfanaten verkiezen fietsen boven seks (17:53) De Telegraaf

NS wordt overstelpt door claims (17:52) de Volkskrant

Meldpunten voor Limburgers, Belgen en gezellige Polen (22:29) De Volkskrant

De werkgelegenheid gaat volledig over de kop (18:15) Welgeld

FBI geeft dossier over Steve Jobs vrij (17:38) Bloomberg

'Stemmingmakerij' PVV wekt alom woede (11:58) BN De Stem

Twintigjarige 'wonderinvesteerder' Alexander Mans, blijkt een eerste klas brokkenpiloot met een levendige fantasie. (09:31) Follow the Money

Tip en volg ons!
VoorpaginaArchiefOver onsContactAdverteren Huisregels RSS-FeedPDAIPhone
Laatste wijziging: Sat, 11 Feb 2012 02:20:19 +0100 (Sat, 11 Feb 2012 01:20:19 GMT)
Pagina gegenereerd: Sat, 11 Feb 2012 02:20:19 +0100 (Sat, 11 Feb 2012 01:20:19 GMT) 
Procestijd pagina: 0.37 sec.