Janine Abbring was zo goed met Ebenhard omdat haar moeder net gestorven was

“Als je wilt weten waarom God niet bestaat, moet je naar de levensloop van mijn moeder kijken. O, mijn vader zal het niet leuk vinden dat ik dit zeg. Sorry, pap. Maar ik vind dat echt. Ja, jeetje, iemand die zich altijd met zo veel toewijding op anderen richtte. Heel soms had ze na jaren weer een helder moment, dan was haar eerste vraag: ‘Hoe oud ben je nu? Ben je gelukkig?’ Dat vond ik zo heftig… Ja, o, mijn moedertje…'” Ze liet het niet merken, maar tijdens haar eerste roemruchte jaar als presentator van Zomergasten stierf de moeder waar ze zo van hield. Na een lange slopende ziekte, maat toch. Ze praat er over in Volkskrant Magazine. Ze had het er mot bijna niemand over. Zelfs niet met de stervende burgemeester van Amsterdam, met wie ze een gedenkwaardige avond maakte, vertelt ze in Volkskrant Magazine. 

‘Niet voorafgaand aan het interview, nee. Ik vind het echt misplaatst om over je eigen sores te beginnen als iemand op dat moment zo’n heftig proces doormaakt. Doordat mijn moeder al sinds mijn vroege jeugd vaak ziek was, heb ik lange perioden bij een oom en tante doorgebracht. Zij was als een moeder voor me. Zij zijn allebei overleden, hij aan longkanker, waaraan Van der Laan ook is overleden. Ik heb dat proces toen van nabij meegemaakt, maar ook dat heb ik niet verteld.’

‘Bij mij was het overlijden van mijn moeder nog wel rauw en vers, misschien dat ik daardoor wel iets geëmotioneerd was tijdens dat gesprek.’

“Ik ga Zomergasten precies hetzelfde aanpakken. Iets minder gestrest misschien. Vorig jaar had ik er drie maanden van tevoren al lichte buikpijn van. Ik had het gevoel dat ik alle encyclopedieën en de wereldkaart uit mijn hoofd moest gaan leren omdat ik een alwetend iemand hoorde te zijn.’ Het unieke van vorig jaar was dat iedereen haar goed vond. Zelfs twitter was blij. “Op televisie ben je het ene moment fantastisch en het andere moment vinden ze je shit. Kijk naar Humberto Tan. Televisie is lelijk hoor, het kan zo omslaan.”

Bron(nen):   Volkskrant Magazine