Waarom zelfs twee dode kleuters in plastic zakken ons niet meer raken

Zelfs de gruwelijkste beelden uit de Syrische stad Oost-Ghouta zijn niet in staat om de westerse apathie te doorbreken. Hoe komt dat? De hulp van de VN had voor deze kleuters toch nog zin: hun lichaampjes paste er mooi in voor de begrafenis. En toch is er geen of nauwelijks verontwaardiging over wat Assad en de Russen een gebied met 400.000 inwoners aandoen. De mogelijke oorzaak, zegen deskundigen tegen De Morgen: er zijn amper journalisten ter plekke om het verhaal te vertellen. En alleen gruwelijke foto’s raken ons niet (meer). Daniel Demoustier, jarenlang oorlogscameraman voor het Britse ITN, wijst op een groot verschil met vorige brandhaarden. “Door meerdere journalisten te onthoofden, is Islamitische Staat erin geslaagd om van Syrië een no-gozone voor de grote internationale zenders te maken. Je hebt geen oorlogsjournalisten meer ter plaatse die informatie verifiëren, achtergrond geven en het conflict kunnen inschatten.”
Sandy Al Obaed, een Syrische journaliste die in de gebombardeerde stad Saraqib woont, vertelt aan De Morgen een soortgelijk verhaal. “In Idlib of Ghouta zijn er eigenlijk geen echte media aanwezig waardoor er vooral bericht wordt over het aantal bommen en militaire aspecten. Het verhaal van de burgerslachtoffers wordt enkel in gruwelbeelden gebracht. Over de mentale situatie van de bevolking en de impact van de oorlog op mensenlevens en economie lees je zelden, terwijl het net die verhalen zijn die voor verheldering, empathie en bewustwording zorgen.”
Er gebeuren daar vreselijke dingen, we hebben plaatjes, maar er is geen verhaal. En dus amper woede

Bron(nen):   De Morgen