‘Als het erger wordt, moet ik maar met een elektronische scooter het podium op, haha.’

Rob de Nijs is 76 en hij heeft de ziekte van Parkinson. Maar hij zingt door. Er was even sprake van afscheid, maar dat is ver naar voren geschoven. Want hij kan niet zonder publiek. Aan de Volkskrant vertelt in een mooi interview van Nathalie Huigsloot De Nijs dat Parkinson een vernederende ziekte is. “Het is toch een beetje een ziekte van oude, schuifelende mannen.” En hij valt af en toe. “Na een optreden in België viel ik ook toen een paar dames op me af renden. Ik raakte uit balans en viel. Ik brak mijn vinger”

Maar hij zingt door, ook voor de centen. Hij willen sparen zodat er ook voor zijn jongste zoon (7) nog iets is na zijn dood. “Ik kan goed uitgeven. Kón. Om de twee jaar een nieuwe Harley kopen en zo. Maar ik zou nu niet meer weten waar ik het geld vandaan moet halen om me dat te kunnen veroorloven.’Het is geen vetpot meer. Ik kan niet meer zo veel werken, ik moet zuinig zijn met de energie die ik nog heb. Die is goed voor één, hooguit twee concerten per week. Daarnaast verdiende ik mijn geld altijd met platen, maar de verkoop daarvan is plotseling afgekapt, want er wordt niks meer verkocht op cd.” Zijn vrouw Henriette moet na zijn dood weer gaan werken in de zorg. “Ze is al bezig met cursussen op medisch gebied te volgen inderdaad. We kunnen daarover heel nuchter met elkaar praten. Ik heb met Jet ook de afspraak dat we mijn leven niet tot het uiterste gaan oprekken. Als het echt de verkeerde kant op gaat, dan stap ik er lekker uit.”

Hij bidt vast om in de hemel te komen. “Ik ben absoluut niet tevreden over hoe ik bepaalde dingen in mijn leven heb opgelost. Daarvoor vraag ik vergeving. Ik bid meerdere keren per dag, dat deed ik als kind al. Christus is altijd een idool voor mij geweest, dat heeft me geholpen. En nu ook. Ik bid altijd voor het slapengaan, nog net niet op de knietjes voor het bed, want dat doet zeer.”

“Ik heb, terugkijkend op sommige vriendinnen, het idee dat ik het niet goed heb gedaan. Daarvan heb ik echt spijt. Als er een hemel is, dan mag ik misschien achteraan zitten. Maar het wordt geen loge.”

Bron(nen):   De Volkskrant