Tofik Dibi: ”Ik bevond me in een ondergrondse wereld van mensen met dubbellevens”

Wat iedereen al vermoedde, bevestigt Tofik Dibi nu zelf in zijn nieuwe boek Djinn: hij valt op mannen. In een uitgebreid interview met de Volkskrant vertelt hij over het geworstel met zijn geaardheid en zijn pijnlijke afscheid van de politiek.

Eenzaam
In 2012 deed Dibi een vergeefse gooi naar het leiderschap van GroenLinks. Hij kreeg nauwelijks steun en werd met een overweldigende meerderheid weggestemd. ”Ik stelde me kandidaat als lijsttrekker omdat ik overmoedig was geworden van alle media-aandacht. De manier waarop ik uit de Kamer ging, was hard. De oppervlakkige contacten die ik om me heen had verzameld toen het goed ging, waren nergens te bekennen toen het misging. Veel mensen namen afstand, zagen me als beschadigd goed. Ik zeg dit niet verbitterd, ik weet dat het zo werkt, maar het was een eenzame tijd.”

Na zijn vertrek uit de Kamer ging hij weer studeren, maar stopte daar al snel mee. Daarna solliciteerde hij ‘vooral naar banen bij mensenrechtenachtige clubs’. Tot nu toe zonder succes. ”Bij afwijzingen hoor ik vaak dat ze me associëren met provoceren. En ik heb natuurlijk geen opleiding afgerond.”

Schimmig circuit
Ondertussen krijgt Dibi nog altijd wachtgeld en schreef hij zijn boek. Daarin vertelt hij onder meer over het schimmige circuit waarin hij zich begaf om toch seksueel contact te kunnen hebben met mannen. ”Een ondergrondse wereld van mensen met dubbellevens, die allemaal iets te verliezen hebben en dus heel wantrouwend zijn. Elk contact is gevaarlijk, omdat het kan leiden tot de openbaring van een geheim.”

Een van de dieptepunten was een afspraak in New York tijdens het zomerreces met een man die hij kende uit een chatbox. Als hij rond middernacht aankomt in een huis in The Bronx, hoort hij een stem die veel ouder klinkt dan verwacht. Hij voelt dat het foute boel is, zegt dat hij weer vertrekt, maar wordt neergeslagen en seksueel misbruikt.

Verraad
Hij vond het vreselijk dat hij in die tijd als Tweede Kamerlid opkwam voor homoseksuelen maar zelf niet voor zijn seksuele voorkeur uit durfde te komen. ”Ik kreeg weleens mailtjes van homoseksuele moslims die aannamen dat ik net zo was als zij. Ik kon geen spiegel voor hen zijn, maar wel hun vrijheid verdedigen.”

”Ik schrijf in het boek dat het haast voelde als de ultieme vermomming. Ik hield mezelf voor dat iedereen zou denken: hoe kan iemand die zo progressief is, die homo’s zó oké vindt, zijn eigen homoseksualiteit geheim houden? Dan zal hij het wel niet zijn.”

Maar het voelde ook als verraad. ”Ja, want het omgekeerde idee liet ik natuurlijk ook bestaan: als hij het al niet durft te zeggen, moet het wel héél erg zijn. Dat heeft me lang dwars gezeten. Ik vond het zó slecht van mezelf.”

 

Bron(nen):   De Volkskrant