De geologie van de Franse wijnen

Charles Frankel is geoloog en bestudeert de invloed van de bodem op het aroma en de kwaliteit van Franse wijnen. Hoewel de druivensoort, het klimaat en de vaardigheid van de wijnmaker essentieel zijn voor een goede wijn, mag je de invloed van de geologie niet onderschatten, zegt hij in zijn boek ‘Terre de vignes‘.

Hij onderzoekt welke mineralen de wijnstok opneemt en uit welk geologisch tijdperk die stammen. De oorsprong gaat terug tot 445 miljoen jaar geleden, aan het begin van het Paleozoïcum, toen Frankrijk uiteraard nog niet bestond. Het land werd doorkruist door een oceaan vol koralen en vissen, die zich al snel sloot door de druk van de tektonische platen. De Anjou ligt op de grens van deze 2 ‘continentale kaken’ van leisteen en lava, en daar gedijen de wijngaarden van Savennières, Brissac, Coteaux du Layon en Aubance. In een glas wijn van de Anjou bespeur je nog steeds de geur van de verdwenen zee, aldus Frankel.

In de volgende fase, in het midden van het Carboon (350 tot 300 miljoen jaar geleden), werd tijdens de hercynische gebergtevorming een massief gevormd dat doorsneden werd door breuken en plooien. In de Beaujolais bieden de overblijfselen van de kristallijne vaste stof van het geërodeerde massief een voedingsbodem voor 10 grote wijnen: de Brouilly die met zijn blauwe steen rijk is aan natrium, de Morgon en zijn beroemde ‘roche pourrie’ (vergane rots) waarin de wijnstok diep geworteld is en de Moulin-à-vent met zijn typische viooltjesgeur, die zijn oorsprong vindt in de aderen van mangaan in de ondergrond.

Vervolgens komen we uit bij de zoutmijnen van de Alsace, de oesterbanken en het koraal uit de Jura (180 miljoen jaar geleden) die tot uitdrukking komen in de Macon, de Bourgogne en de Sancerre. In het Krijt (145 tot 66 miljoen jaar geleden) volgen de lagen zandhoudende kalksteen die typisch zijn voor de Touraine en daarna de klei van de Provence en de Languedoc die rijk zijn aan fossielen van dinosaurussen. Nog jonger zijn de wijngaarden van de Champagne die hun wortels in de mergel en het zand van het Tertiair tijdperk hebben, terwijl die van de Bordeaux en de Côtes-du-Rhône gedijen op kiezel en keien van het gebergte uit de recente IJstijd.

Diversiteit wordt zelfs gevonden in de ondergrond van hetzelfde gebied. Het aroma dat de Sancerre kenmerkt, vindt zijn oorsprong in de aanwezigheid van vuursteen in de bodem, terwijl in de buurt van Chavignol in de mergel van Kimmeridgian, Sancerres gemaakt worden die voller van smaak zijn.

Bron(nen):   Le Figaro  boek