De nieuwste film van David Cronenberg: Cosmopolis

Als Eric Packer, hoofdpersonage in Cosmopolis, zijn dagelijkse medische onderzoek ondergaat rijdend in een limousine door de straten van New York ontdekt de arts een raar plekje op zijn rug.


Wat doen we? wil de whizzkid weten, eigenaar van een bedrijf dat ooit een start-upje was, maar inmiddels is uitgegroeid tot een multinational.
De arts: ‘Let it express itself.’
Eric: ‘What. Do nothing?’
Arts: ‘Let it express itself.’

De Canadese filmregisseur David Cronenberg is bekend als de maker van Rabid (1977), The Brood (1979) en vooral Dead Ringers (1988), films waarin de grenzen van het betamelijke worden overschreden door verhalen over infectie, mutatie en ziekte, en recenter van meer conventionele cinema: Eastern Promises (2007) en A Dangerous Method (2012).

En nu dan: dat plekje op de rug van Packer. De arts zegt dat Eric dat plekje op zijn rug met rust moet laten, zodat ‘het’ tot zelfexpressie kan komen. Deze tekst is niet van Cronenberg is, maar komt uit de gelijknamige roman van Don DeLillo uit 2003.

In Cosmopolis rijdt Packer aan het begin van het nieuwe millennium een dag lang op Manhattan in zijn limousine rond, onderweg naar de kapper. Veel straten zijn afgezet; elders in de stad is de Amerikaanse president op bezoek. Tijdens de rit blijkt dat Packer op het punt staat miljarden te verliezen door een verkeerde investering. Tevens maakt hij zich zorgen over de veiligheid van zijn computersystemen. Bijna tussen de bedrijven door heeft Packer seks met verschillende vrouwen, soms in de limousine.

Cosmopolis is de beste Cronenberg sinds 1999, ook al waren recente reacties op het festival van Cannes gemengd. Niet onbegrijpelijk. Het gaat immers om een romanverfilming waarin het motief van virus, infectie en ziekte vrij letterlijk als kritiek op het kapitalistische systeem fungeert. Dat kan veeleisend zijn: de lange dialoogscènes hebben een ondertoon van dreiging en absurdisme, bijna als in een toneelstuk van Harold Pinter.

Nu te zien in: Hilversum, Amersfoort, Utrecht, Haarlem en Amsterdam.

Bron(nen):   De Groene Amsterdammer