Dat van die groeiende kloof tussen arm en rijk? Dat blijkt onzin

Jaar in jaar uit houden politici ons voor dat de 'armen' in Nederland steeds armer worden en de rijken steeds rijker. Ze zeiden het zo vaak dat je dacht dat het wel waar zou zijn, ook al zag je er om je heen niet veel van.

Dat je het niet zag, blijkt eenvoudig te verklaren: het is niet waar. De armen gingen er de afgelopen decennia net zoveel op vooruit als de rijken. De koopkracht van vrijwel iedere groep Nederlanders steeg sinds de jaren 70 met 60 procent. Je kunt dus 60 procent meer kopen dan toen. En de belasting dan? Is niet al die vooruitgang bij de belasting terecht gekomen? Nee. De koopkracht is sinds eind jaren zeventig met bijna 60 procent gestegen, de belastingdruk is gedaald en de inkomensongelijkheid is al sinds 1990 stabiel. Niks grotere kloof, niks steeds diepere armoede.

Deze conclusies van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Universiteit Leiden, die donderdag gepubliceerd zijn, gaan recht in tegen het maatschappelijke sentiment. Politici en adviesorganen wijzen al jaren op de groeiende ongelijkheid in Nederland.

Is er dan geen enkel probleem? Ja dat is er wel. Er zijn groepen die zijn achtergebleven. Die armen zijn vooral te vinden onder mensen met een migratie-achtergrond.

De initiatiefnemer van het onderzoek Koen Caminada, hoogleraar empirische analyse van sociale en fiscale regelgeving in Leiden: „De koopkrachtstijging van mensen in de bijstand is beduidend kleiner geweest dan die van werkenden. Die groepen zijn uit elkaar gegroeid: kinderen in een bijstandsgezin kunnen minder doen dan kinderen van werkenden. Niettemin is hun koopkracht in veertig jaar tijd toegenomen – niet afgenomen.”

„Een kwart miljoen kinderen leeft nog onder de armoedegrens. Dat zijn bijna allemaal kinderen van ouders met een niet-westerse migratieachtergrond. Dit is echt een hardnekkig probleem. Gemiddeld groeit 1 op de 13 kinderen op in armoede, ongeveer twee per schoolklas. Bij kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond is dat een op de vier." 

Bron(nen):   NRC