Onthutsende cijfers over Amerikas rijkste 1%

Steve Jobs werd in 1980 256 miljoen dollar rijker toen Apple naar de beurs ging. Met hem werden 300 andere Apple-werknemers dollarmiljonair. In tegenstelling tot Jobs kochten de andere miljonairs een of twee huizen, welke ze lieten managen door huisbewaarders die ook weer een manager nodig hadden.
Jobs liet na zijn dood 7 miljard dollar na. Hij maakte deel uit van de elite van 1% van de Amerikanen die 34% van de rijkdom bezitten.
De oorsprong van dit fabelachtige cijfer ligt, schrijft het internetmagazine Express, in de benoeming in 1982 van Donald Regan, CEO van Merrill Lynch, tot minister van Financiën onder president Reagan. Wall Street nam toen de macht over en wist in korte tijd een ongekende rijkdom te verwerven.

Sindsdien is steeds meer geld terecht gekomen bij een steeds kleinere groep mensen. Zo bezit 5% van de Amerikanen (6 miljoen huishoudens) 60% van de totale rijkdom, oftewel: 5% bezit meer dan de overige 95% samen. 
Nog meer onthutsende cijfers: de gezamenlijke rijkdom van de 400 rijksten maakte in 1982 3% van het bbp uit. Tegenwoordig is dat 10%. Een gewone werknemer verdiende in 1982 42 keer minder dan een CEO van een van Amerika’s grootste bedrijven. In 2001 was dat 531 keer minder.

Deze cumulatie van geld heeft gevolgen voor de samenleving als geheel. De staat is afhankelijk geworden van de belastinginkomsten van de superrijken, die als de aandelenmarkten zakken minder belasting gaan betalen.
Wat dat voor een staat betekent laat Californië, de achtste economie ter wereld, zien: in oktober 2009 ging Californië failliet.

Bron(nen):   Express