Is Obama wel zo slim?

Het is veel te vroeg om nu al een idee te hebben waar het met het presidentschap van Barack Obama naartoe gaat.

Het zwalkende presidentschap van Bill Clinton, dat meteen averij opliep door het stuklopen van Hillarycare (wat Obama, die iets vergelijkbaars wil invoeren, nu kost wat kost wil vermijden), kreeg pas richting in zijn derde jaar, na het ingrijpen in Bosnië (1995), dat hij eerst niet wilde.

Jimmy Carter wijzigde in zijn laatste jaar (1980) zijn houding tegenover Moskou radicaal, nadat de Russen eind 1979 Afghanistan waren binnengevallen. De president gaf toe zich in de Sovjetleiders te hebben vergist: een half jaar eerder had hij Leonid Brezjnev nog omhelsd. John F. Kennedy begon in 1961 met de rampzalige inval op de Varkensbaai in Cuba. Zijn opvolger Lyndon B. Johnson beloofde Amerika een Great Society, maar liet zich wegzuigen door ‘Vietnam’. Obama moet dus een gewaarschuwd man zijn.

Wat al deze presidenten – zeer verschillende persoonlijkheden – gemeen hadden, was dat zij allen Democraten waren en een grote intelligentie werd toegedicht. Dat horen we ook weer over Obama, die op Harvard als ‘één van ons’ wordt gevierd. Als eerste zwarte president geldt hij als ‘cool’, wat in zijn verkiezingscampagne wel is gebleken. Obama liet zich door niets en niemand gek maken, ook niet door een voormalige presidentsvrouw die hem neerzette als een softie die niet crisisbestendig zou zijn en een economische ineenstorting zoals Amerika nog nooit gezien heeft. Dan moet je heel gedisciplineerd zijn, goed weten wat je wil en een fenomenaal zelfvertrouwen hebben. ‘Yes we can’ is de slogan waarmee hij wereldwijd furore maakte en Amerika weer het idee gaf dat ‘alles kan’. Zelfs Amerikaanse zwarten die dit nooit voor mogelijk hadden gehouden, wrijven zich de ogen uit. Een normaal mens zou zichzelf in de arm hebben geknepen, maar Obama niet. Hij wekt de indruk voor grootse dingen te zijn voorbereid en over bijzondere gaven te beschikken.

Het is bijna eng (maar eigen aan charismatische figuren die ook altijd een mediacreatie zijn) om te zien hoeveel journalisten die anders nooit in wonderdoeners geloven daarin meegaan. Er zal een moment aanbreken waarop de betovering wordt verbroken, en in augustus leek het al even die kant op te gaan (waarna Obama bij de verdediging van zijn zorgplannen met succes de geest van de net overleden Ted Kennedy wist aan te roepen), maar vooralsnog houden professionele waarnemers de magie in stand. Obama’s toespraken worden als briljant en eloquent geprezen, een verademing na het gestuntel van George W. Bush, die er zelf de draak mee stak dat hij zijn woorden verhaspelde en er plezier in had als hij was ‘misunderestimated’. Hier heeft de wereld acht jaar op moeten wachten.

Het lucht op dat er eindelijk weer een man in het Witte Huis zit die competentie uitstraalt, het Amerikaanse perscorps geen kromme tenen bezorgt en het buitenland niet bij voorbaat op stang jaagt. De vraag of het wel zo’n prestatie is als een president die om zijn welsprekendheid bekend staat een goede rede aflevert (waarvoor hij ook ghost writers heeft), is nog niet gesteld. Maar die zal ongetwijfeld komen, net als de vraag wat al die speeches opleveren. Want Obama mag dan wijs en verstandig ogen, maar de boodschap moet ook aankomen, vooral bij degenen die niet zo wijs en verstandig zijn.

De reputatie van Obama in Europa is enorm, maar van zuinige leiders als Angela Merkel en Nicolas Sarkozy (die hun eigen ster bewaken) kreeg de nieuwe president niet veel gedaan. Het valt ook niet in te zien waarom een president met de biografie van Obama meer naar Europa zou luisteren. De Duitse bevolking mag in hem een mondiale heilsbrenger zien, maar dat betekent niet dat hij op zijn mooie huidskleur wordt gevolgd. In Moskou viel de obamania zelfs helemaal plat. De swingende en kosmopolitische Obama vertegenwoordigt alles wat de Russen niet zijn. Tegelijk wantrouwen de Oost-Europeanen de nieuwe president, die zijn oren te veel naar Moskou zou laten hangen (zie het afblazen van het anti-raketschild dat in Polen en Tsjechië zou worden gestationeerd).

Alle handreikingen naar de islamitische wereld hebben van moslimzijde nog niet voor doorbraken gezorgd. In Cairo verontschuldigde Obama zich voor Amerikaanse ‘arrogantie’ uit het recente verleden, maar de spiegel die Obama indirect ook de Arabieren voorhield, kan ertoe leiden dat zij zich in het eigen gelijk gesterkt voelen. Washington zegt nu zelf dat Bush fout zat; waarom zou de Arabische wereld dan concessies doen? Inzake Iran heeft Obama in eigen land al kritiek gehad dat hij zich te slap opstelt. Ondertussen nemen in Israël de twijfels over Obama toe, wat de bereidheid om toezeggingen te doen verkleint.

Wat niet is, kan nog komen, en het is zeker waar dat Obama voor een sfeerverandering heeft gezorgd die alle wereldleiders noopt hun positie opnieuw te bepalen. Maar dat kan ook in een richting zijn die Washington niet wil of niet heeft voorzien. Ook is onduidelijk hoe ‘nieuw’ de opstelling van Washington werkelijk is. Cynische regeringen denken in continuïteiten, niet in ‘hope’ en ‘change’. Een verschuiving van strategische prioriteiten van Irak naar Afghanistan maakt Amerika in moslim-ogen niet ineens tot een andere mogendheid. En een Witte Huis dat om semantische redenen niet meer over de ‘War on Terror’ wil spreken en er tegelijk niet in slaagt om Guatánamo Bay op eigen kracht te sluiten, maakt op de buitenwereld geen sterke indruk.

Hier wreekt zich dat Obama nog geen punch heeft. Van zijn toespraken blijft weinig hangen, behalve dat ze lang en subtiel zijn. Wat ontbreekt zijn oneliners als ‘Mister Gorbachev, turn down this wall’, waarmee ‘dommekracht’ Ronald Reagan de wereld veranderde. Misschien zit Obama’s intelligentie hem in de weg, want de president mag graag op academische wijze uitleggen dat de wereld niet zo simpel in elkaar zit als de meeste Republikeinen denken.

Het kan ook dat Obama machtspolitiek gezien minder intelligent is dan hij lijkt en dat dit door zijn complexe wereldbeeld wordt verhuld. Zo weten we niet of hij een idee heeft wat hij gaat doen als zijn uitgestoken hand naar Amerika’s vijanden onverhoopt wordt afgeslagen. In dat geval kan de enige wapenspreuk die wel is blijven hangen (‘yes we can’) zich als een boemerang tegen hem keren. Daar staat tegenover dat we dan eindelijk kunnen zien wat Obama werkelijk waard is. Zijn presidentschap begint pas echt als zijn goddelijke status is afgebladderd.