Van mijn voorhuid heb ik altijd veel plezier gehad

Jongen, na je achttiende ga je maar je gang, al doe je het met een broodmes
In zijn boek From the Ashes of Sobibor beschrijft Thomas Blatt hoe hij, vijftien jaar oud, probeerde te vluchten voor de razzia’s in zijn Poolse geboortestad Izbica. Hij weet een treinkaartje te bemachtigen, maar vlak voor de grens wordt hij aangesproken door de conducteur die hem sommeert de broek te laten zakken.

Er zit voor Blatt niets anders op, om middenin de trein en ten overstaan van de andere reizigers, gehoor te geven aan wat hem is bevolen. En inderdaad: Blatt is besneden. Hij wordt uit de trein gehaald en via allerlei gevangenissen komt hij tenslotte terecht in het vernietigingskamp Sobibor. Hij is daar een van de weinigen die zal overleven.

Wat Blatt is overkomen, was na de oorlog voor veel Joden een reden zich niet meer te laten besnijden. Mijn vader was nog besneden, ik niet. Dat konden wij met genoegen vaststellen als wij op een zondagochtendwandeling in het bos samen tegen een boom stonden te pissen.
Van mijn voorhuid heb ik altijd veel plezier gehad, al begreep ik toen niet welke wereld erachter zat. Het masturberen mét voorhuid lijkt me gemakkelijker. Anders dan Portnoy heb ik voor de zelfbevrediging nooit een biefstuk uit de ijskast nodig gehad.

Wel heb vaak gedacht aan wat mijn vader tegen mij zei, toen wij daar tegen die boom stonden te pissen: ‘Als God de man wil zien zonder voorhuid, dan had hij de man wel zonder voorhuid geschapen.’ De God van het Oude Testament had mijn vader toen al lang verlaten – en vice versa.

Lees verder in de Volkskrant