Dringend gewenst: bestsellers

Uitgevers weten ook niet precies hoe zoiets in z’n werk gaat maar soms hebben ze er een te pakken: een bestsseller. Dat ene boek dat iedereen koopt (en soms ook daadwerkelijk leest) waar je hele zaak jarenlang op kan drijven.
Nog niet alle uitgevers zijn er aan toe te bekennen dat ze eigenlijk niet weten hoe een boek een seller wordt, deze bekentenis doet immers afbreuk aan hun gezag, maar de meesten geven het ruiterlijk toe: een enkele keer in je loopbaan struikel je over een bestsseller.
Wat uitgevers wel allemaal doen: als er een bestseller is gevonden (desnoods bij de concurrent), gaan ze snel boeken uitgeven die lijken op de bestseller – wie weet scoor je er mee. Dus na de Da Vinci Code kwamen er meters boeken die ook handelden over godsdienstige complotten met zo’n lekkere puzzelstructuur waar de puzzelende lezer dol op bleek te zijn. 
En kunt u zich nog het Dagboek van Bridget Jones (foto) herinneren, de geestige roman over een jonge vrouw die zo onmiskenbaar op zoek was naar haar ware liefde? Helen Fielding schreef het boek in 1995 en het werd een heus genre: de nog jeugdige en goeduitziende dame en haar amoureuze avonturen.
Laatste loot aan de bestssellerstam is Stieg Larsson en zijn 3 Millennium-boeken. Gevolg: de uitgeverijwereld is op zoek naar nieuwe Zweedse succesauteurs. 
35 miljoen boeken zijn er van Larsson’s trilogie verkocht en omdat hij op jeugdige leeftijd stierf is van hem niets meer te verwachten. Maar wie weet zijn er andere – nu nog onbekende – Zweden die een goed misdaadverhaal met plot in elkaar kunnen zetten. Met als het kan dezelfde sfeer: wat seks, wat cybermisdaad, een zeker politiek engagement en ‘die noordelijke sfeer’ waar de lezer blijkbaar zo op zit te wachten. 
De illusie is dat er zoiets bestaat als een recept voor een goedverkopend boek. Dat recept bestaat weliswaar niet, maar dat neemt niet weg dat de Larsson-epigonen dadelijk met z’n allen in de boekwinkels zullen landen.
Achter de link een bijzonder aardig stuk uit The New York Times over de Larssen-hype en wat we daar nog van zullen merken.

 

Bron(nen):   The New York Times