Onze cultuurloze maatschappij

De Raad voor Cultuur heeft onlangs advies uitgebracht over de kunstsubsidies. Van alle kanten komt terechte kritiek, omdat regio’s buiten de Randstad onderbedeeld zijn in het advies. De Raad heeft louter getoetst of instellingen van nationaal of internationaal belang zijn. Regiofuncties zijn niet onderzocht. De spreiding van cultuur komt zodoende onder druk te staan. We dienen echter te beseffen dat niet alleen in de regio veel cultuur ten onder gaat, we leven sowieso in een samenleving waarin ontculturalisering, oppervlakkigheid en de macht van de middelmaat de scepter zwaaien.

De kwaliteit van onze beschaving kunnen we afmeten aan de manier waarop we omgaan met ‘onnutigen’: ouderen, kinderen, gehandicapten, werklozen, etc. Ook de wijze hoe we met cultuur omgaan zegt iets over ons civilisatieproces. Momenteel zijn we hard bezig onze cultuur te ‘ontcultiveren’. Uit bezuinigingsoogpunt van de overheid, maar ook uit blind winstbejag van de doorgeschoten markteconomie. Aan een concert van Marco Borsato valt nu eenmaal meer te verdienen dan aan een concert van het Koninklijk Concertgebouworkest. Bovendien kan de een zonder subsidie, de ander niet. Politiek en bedrijfsleven richten zich dus op degene die bij de massa aanslaat. Dat suffige orkest wordt voorzien van minimale subsidie en verder overgelaten aan enkele arrogante snobs. Het financiële plaatje domineert, er rest slechts folklore.

Hoge en lage kunst bestaan niet. Als er toch een stelletje ‘kakkers’ veronderstellen dat wel sprake is van hoge kunst, moeten die vogels zichzelf maar bedruipen en anderen niet lastig vallen met geschreeuw om subsidie. Dat is het principe waaraan we zijn overgeleverd. Niet voor elk wat wils, maar voor iedereen hetzelfde. Plat amusement, leve de lol. In een hedonistische samenleving telt het genot van het moment. Niet nadenken, niet praten en zeker niet luisteren of kijken. Allemaal binnen dezelfde lijntjes kleuren. Sommigen zijn echter van mening dat echte kunst juist niet binnen de lijntjes kleurt. Vastgeroeste patronen doorbreken, zoeken naar verbanden en stijlen en genres overstijgen. Een beetje kunstenaar schept eigen kaders en houdt zich niet aan grenzen die door anderen zijn opgesteld. Toch is deze visie niet helemaal terecht. Het is namelijk niet noodzakelijk voortdurend grensverleggend bezig te zijn om van waardevolle kunst te kunnen spreken. Zo weten we bijvoorbeeld dat in de muziek sinds de Middeleeuwen de genialiteit van niet-grensverleggers juist bestaat uit het onderzoeken van een afgebakend territorium. De diepte, in plaats van verbreden.

In de klassieke muziek denken we aan tijdgenoten als Goebaidoelina en Ligeti, in de jazz aan Keith Jarret en Wynton Marsalis en in de rockmuziek aan The Rolling Stones en Little Feat. Ze kruipen in de huid van de ander en blijken dan zelf tot volle wasdom te komen. Niet met een vernieuwend perspectief, maar wel met interessante wegen om op een andere manier te luisteren naar de traditie. Kunnen alle vernieuwers zich die kwaliteit aanmeten? De ultieme kunstenaar is Beethoven. Hij weet zowel de traditie te hanteren als grensverleggend bezig te zijn. Miles Davis beheerst min of meer dezelfde kwaliteiten. Diepte en breedte. Hoe dan ook: binnen of buiten de lijntjes kleuren, als we maar in de kunst zijn, binnen het gebied waar geen enkele rubricering noch enig kader de dienst uit maken behalve de kunst zelf. Het terrein waar het ‘concept’ zich noot voor noot of penseelstreek voor penseelstreek telkens opnieuw kan ventileren. Dat is mogelijk in een strak gestructureerde fuga van Bach, maar ook in een creatieve improvisatie van Keith Jarrett.

Een regering kan geen creativiteit stimuleren, maar een verantwoordelijke overheid is wel nodig om kunst en kunstbeleving te stimuleren. De staat hoeft op dat vlak immers geen financiële winst te maken. Richard Wagner leefde jaren in armoede en radeloosheid, totdat koning Ludwig II zich over hem ontfermde en zijn genie tot grote hoogte kwam. Hetzelfde geldt voor Vincent van Gogh. Pas na postume overheidssubsidies voor exposities en onderwijs heeft hij zijn plek veroverd binnen de schilderkunst. Overheidsbezuinigingen hebben kunst in de armen van het bedrijfsleven gedreven. Soms komen daar bemoedigende resultaten uit voort. Een louter op de markt gerichte kunst betekent echter de ultieme dood van kunst. Desalniettemin is autonome kunst, los van staat en commercie, onhaalbaar. Moeten we kunst dan maar opofferen aan het ‘voor-iedereen-hetzelfde-concept’ zoals de politiek en het bedrijfsleven willen? Is onze cultuur hiermee gediend, of vindt vooruitgang alleen plaats als kunstenaars zowel binnen als buiten de lijntjes durven kleuren en op zoek gaan naar een manier waarop kunst, de overheid en de markt dynamisch interacteren met elkaar?

Boeken van Etienne Kuypers

www.etiennekuypers.com
Speakers academy Etienne Kuypers

Bron(nen):   Bron afbeelding