Onnozele strijdpunten: Sterft CDA uit?

Een maand of vier geleden achtte ik het in een bijdrage op Mootz mogelijk dat Diederik Samsom de dodo zou kunnen worden van de Nederlandse sociaaldemocratie. Maar zie, een week voor de verkiezingen heeft Diederik donshaartjes laten groeien en lijkt hij eerder op een kuiken dat net uit het ei is gekropen.

Hij is dé ster van de afgelopen twee weken. En het is de christendemocratie die met uitsterven wordt bedreigd. Het experiment met de PVV heeft er niet toe geleid dat de oude kiezers naar het oude nest zijn teruggekeerd. Het lijkt er meer op dat de laatsten der Mohikanen zich van de partij aan het afkeren zijn.

Voor velen is dat een logische trend, want meer nog dan bij de sociaaldemocraten is het einde voor de christendemocratie voorspeld. Daarom gingen KVP, ARP en CHU eind jaren zeventig ook op in het CDA, dat de neergang als succesvolle bestuurspartij nog enkele decennia wist te keren.

Zelfs nadat de partij in de Paarse jaren negentig in de oppositie was beland, wist het CDA onder Jan Peter Balkenende weer als rustgevende factor in het regeringskasteel terug te keren. Dat laatste is nog steeds mogelijk. Het CDA dreigt nu zo klein te worden, dat het voor andere partijen geen steen des aanstoot meer is.

Wie weet breekt er ooit nog een tijd aan dat de christelijke partijen gezamenlijk tot een soort SGP zijn uitgegroeid. Nationale folklore, een stabiele club van mannenbroeders die altijd tussen de twee en drie zetels haalt.

Toch weet ik dat nog niet. Zoals de SP zich bekommert om de sociaaldemocratische erfenis, die ook dertig jaar na Joop den Uyl nog steeds aantrekkelijk is, zo is er ook een christendemocratische erfenis. Het CDA, en vooral het katholieke deel, kan wijzen op populaire premiers als Dries van Agt en Ruud Lubbers, en op het feit dat het ‘vroeger’ beter, overzichtelijker en veiliger was vergeleken met de individualistische en egoïstische tijden van nu.

Dat is niet alleen nostalgie, want het onbehagen over dat ‘ieder voor zich’ zal alleen nog maar erger worden. Met de vergrijzing en het ouder worden, komen de gebreken, en nemen gevoelens van vereenzaming en anonimiteit toe. Je kunt veel van het christendom zeggen, dat het godsgeloof achterhaald is en dat geëmancipeerde mensen heel goed voor zichzelf kunnen zorgen, zonder de bemoeizucht van de kerken en de vaak hypocriete fatsoensrakkerij van christelijke politici.

Maar in de afdeling lijden en sterven, die toch ons aller voorland is, en die ons te wachten staat zonder uitzicht op een beter leven na de dood, is het christendom nog altijd superieur. En hoe humaan is een verzorgingsstaat die alleen nog uit kille professionele rekenmeesters bestaat en de (ouderen)zorg tot een geldkwestie reduceert?

Steeds vaker doen voorstellen om de arrangementen van de verzorgingsstaat ‘betaalbaar’ te houden een beroep op de mantelzorg van familie en vrienden. Op ouderwetse solidaire familiewaarden dus, aangevuld met nieuwerwetse particuliere samenlevingsvormen. Het maatschappelijk middenveld is met zijn nadruk op vrijwilligerswerk van oudsher het domein van de christendemocratie, meer dan van de sociaaldemocratie.

De vergrijzing, een weinig spannend, opwekkend en sexy thema, maar voor iedereen (zelfs voor managers en economen) een punt van existentiële zorg, zorgt ervoor dat de verzorgingsstaat nog een enorme toekomst voor zich heeft. En ideologisch gezien dus ook het CDA en de PvdA. Zou het niet logisch zijn als deze beide met uitsterving bedreigde bestuurspartijen hun onnozel geworden strijdpunten van weleer terzijde schuiven, en in een eigentijdse sociale partij samengaan?

In de jaren vijftig gingen rooms en rood heel goed samen, hoewel beide kampen ook als ideologische kemphanen tegenover elkaar stonden. Dan moet het in tijden van ontkerkelijking en het einde der ideologieën toch mogelijk zijn dat beide stromingen elkaar in een ‘verbond voor de toekomst’ vinden en in elkaar opgaan.

Net als de ten dode opgeschreven confessionele partijen eind jaren zeventig bij de vorming van het CDA. En net als de eveneens afgeschreven vakbeweging toen al deed, bij de fusie van het NVV en de NKV tot het FNV (nu ‘nieuwe vakbeweging’).