Het enorme probleem van de CIA in de Arabische wereld

De CIA heeft een ingewikkelde relatie met de inlichtingendiensten van de Arabische dictaturen. Er moet innig samengewerkt worden, maar tegelijk is het een spel van spionage en contraspionage. Dit zorgt ervoor dat de Amerikaanse inlichtingendienst niet weet wat er werkelijk in Egypte aan de hand is. De geheime dienst heeft banden aangeknoopt met kopstukken van het regime, zoals de nieuwe premier Suleiman, maar heeft geen idee wat er onder de tienduizenden demonstranten op straat leeft.
Sinds de aanslagen van 9/11 is counterterrorisme top prioriteit van de CIA. De dienst heeft er nogal wat voor over gehad om een goede relatie met onderdrukkende regeringen te hebben. Het verschil met de jaren tachtig en negentig is enorm. Toen sprak de baas van de CIA in Cairo regelmatig met de baas van de Moslimbroederschap.
Een van de 'deals' die de CIA met de Egyptische regering heeft gemaakt in ruil voor innige contacten is dat de regering de CIA op de hoogte houdt van wat er in het land speelt. De CIA spreekt amper meer met oppositiegroepen. Dat is niet alleen het geval in Egypte, maar in de hele Arabische wereld. 'Wil je als CIA-agent promotie maken dan moet je goede contacten hebben met de regimes, niet als je hier en daar wat met opposities flirt', zegt een oud-CIA medewerker.
In Egypte is het afhankelijkheidsprobleem enorm. In ruil voor een goede samenwerking met de regering-Mubarak moesten alle CIA-agenten eerst 6 weken in een klasje de woestijn in. Daar leerden ze dat alleen de regering een betrouwbare gesprekspartner is. Ondanks dat de Amerikanen miljarden aan het Egyptische leger schonken, moest de CIA Caïro op dezelfde manier benaderen als bijvoorbeeld Moskou of Beijing.
Ook in Tunesië wist de CIA zo weinig van het land, los van wat het regime hen vertelde, dat de revolutie als een complete verassing kwam. De dienst heeft zich blindgestaard op zijn taak van counterterrorisme. Zodanig dat de dienst alle andere kwesties in het brandpunt van de wereld uit het oog is verloren.

Bron(nen):   The Washington Post