Misschien is het wel een complot

Wat er ook gebeurt: er zijn altijd wel mensen die er een complot in zien.
– Is DSK in de val gelokt? Door Nicolas Sarkozy?
– Is Assange een Rothschild agent? En Wikileaks een dekmantel?
– Is Obama een terrorist?

Richard Hofstadter, die veel gepubliceerd heeft over complottheorieën, gaat ervan uit dat het complotdenken – wat hij ‘de paranoïde stijl’ noemt – zich vaak in de marges van de politiek bevindt en een anti-intellectuele inslag heeft. Andere onderzoekers, zoals Mark Fenster, Peter Knight en Robert Goldberg stellen daarentegen dat complottheorieën niet afhankelijk zijn van een bepaalde persoonlijkheid, I.Q., sociale klasse, enz. Ze treden overal op waar onpeilbaar nieuws botst met onwrikbare overtuigingen. ‘Het is bijna altijd een instinctieve reactie op een merkwaardige gebeurtenis’, aldus Fenster.

Misschien zit er wel een kiem van een complotdenker in ieder van ons. Onze ontvankelijkheid voor bizarre theorieën wordt versterkt doordat we weten dat er echte complotten waren, bv. Watergate of de Iran-Contra affaire. Vermoedens worden ook snel aangewakkerd als mensen hun vertrouwen in de overheid verliezen, volgens Knight. Nu je op internet altijd wel een autoriteit kunt vinden die het tegenovergestelde beweert, kunnen complottheorieën welig tieren. Waarom zou je de krant geloven als ze op Twitter iets anders beweren? Als de mainstream media niet meer geloofwaardig zijn, kun je mensen van alles wijsmaken.

The New York Times heeft een simpele oplossing om complottheorieën te ontkrachten: Wie zich bezighoudt met feiten – journalisten, academici, beleidsmakers – moet niet al te afwijzend staan tegenover theorieën die op het eerste zicht belachelijk lijken. De feiten presenteren op een nuchtere, boeiende, maar zeker niet spottende manier, is de beste remedie.

Maar wie doet dat? In een wetenschappelijk artikel kun je de bevindingen van je onderzoek op de geijkte (lees: saaie) manier presenteren, maar zelfs wetenschappers publiceren niet alle feiten: negatieve bevindingen (er is geen verband gevonden tussen X en Y) worden in veel gevallen niet gepubliceerd. Als er dan toch een interessante bevinding is en de universiteit of een andere instantie verstuurt een persbericht, moeten de feiten op een aantrekkelijke, smeuïge manier gepresenteerd worden. Komt het daarna in de krant dan wordt het nog eens uitvergroot: een ‘lichte economische achteruitgang’ heet dan ‘economie stort in elkaar’ en ‘iets positiever’ wordt ‘buitengewoon, fabelachtig, …’.

Mensen willen informatie, hoe meer hoe liever, ook al is het bogus. Stel dat de Duitsers niets gemeld hadden over de bron van EHEC totdat ze er zeker van waren dat het groentenscheuten waren. Dat was ongetwijfeld beter geweest voor de verkoop van de komkommers, maar in die lange periode van onzekerheid was de kans groot dat het complotdenken toenam.

Het advies dat mensen alleen de mainstream media moeten geloven, is niet meer van deze tijd. Vroeger keek/luisterde je naar het nieuws en las je 1 krant en dat was dat. Als je nu iets opmerkelijks leest, heb je toch de neiging om even online te kijken wat anderen daarover te melden hebben.

En tot slot is het moeilijk om alle complottheorieën over 1 kam te scheren. Ik geloof niet dat Al Qaida iets had met biologische komkommers, maar andere theorieën (feiten?) daarentegen ….

P.S. Sommige commentaren zijn interessanter dan het artikel

Bron(nen):   The New York Times  comments