De geest van Che is terug

Het verdrijven van de Hondurese president Manuel Zelaya heeft nog eens duidelijk gemaakt dat de democratische traditie in Latijns-Amerika wankel is. En niet zo zeer doordat de militairen in Honduras ingrepen, als wel door wat eraan vooraf ging. Zelaya was bezig de democratie in zijn land om zeep te helpen, en trad daarmee in de voetsporen van diverse andere Latijns-Amerikaanse presidenten die momenteel aan de macht zijn: natuurlijk Hugo Chavez in Venezuela, maar ook Rafael Correa in Ecuador, Evo Morales in Bolivia en Daniel Ortega in Nicaragua.
De revolutionaire geest van Ernesto Che Guevara is terug, en dat is een ramp voor het continent, schrijft Foreign Policy. Deze presidenten gedragen zich als caudillos, die beter weten wat het volk wil dan het volk zelf. Het is een oude traditie in Latijns-Amerika die teruggaat tot de dagen van Simon Bolivar. De caudillo ziet zichzelf als een verlichte geest, die soms de democratie ter zijde moet schuiven om zijn revolutionaire ambities waar te kunnen maken. Het gevaarlijkste is misschien nog wel dat deze presidenten de democratie nu gebruiken om aan de macht te komen, waarna ze een autoritair bewind vestigen en de macht niet meer afstaan.
Daniel Ortega heeft vorige week aangekondigd dat hij de grondwet wil wijzigen zodat hij langer aan de macht kan blijven. In Bolivia kiest president Morales steeds meer voor een politiek van polarisatie, met felle kritiek op de media en fysieke aanvallen op de oppositie. In maart zei Morales: "Als je bij de oppositie hoort, ben je rechts, fascistisch-racistisch of neo-liberaal. Maar er is geen midden."
Je bent kortom voor de revolutie of je bent er tegen. Het is een herhaling van de geschiedenis en daar kan niemand vrolijk van worden.
De lezers die nog wel enigszins geloof hebben in Che kunnen hun hart ophalen in The Guardian dat een interview publiceert met dochter Aleida. Die gelooft nog helemaal in de revolutionaire idealen – hoewel haar vader Cuba moest verlaten toen ze vier jaar oud was, nadat hij uit de gratie was geraakt bij Fidel Castro.

Bron(nen):   Foreign Policy  The Guardian