Beste Mohammed B.,

Op 2 november 2004 fietste Lineke van den Boezem door de Linnaeusstraat, pal achter Theo van Gogh, toen ze werd ingehaald door Mohammed B. Vijf jaar later vertelt ze haar verhaal van de moord, in een open brief aan de dader.
Mijn haren zijn nog nat van het douchen als ik richting het centrum van Amsterdam fiets. Ik ben me op dat moment niet bewust van het weer, het is meer dat ik het later zal herkennen als er zo’n dag voorbij komt. Soms is dat in oktober al, soms pas eind november. Het is de lichtval, hoe het ruikt, hoe vochtig het is. Ik weet niet, een combinatie van die dingen. Ik schrik er niet meer van. Ik registreer het en ik denk aan jou.

Nog voor ik de kade af ben, grabbel ik naar mijn telefoon. Ik moet Erik iets vragen, heb ik vannacht bedacht, iets waar ik voor onze afspraak antwoord op zou willen krijgen. Ik laat een bericht achter op zijn voicemail en gooi de telefoon terug in mijn tas. Dit is het moment waarop ik zie wie er voor me fietst. Het is de man die ik regelmatig zie bij de slager op de hoek, een filmmaker die overal iets van lijkt te vinden en niet aarzelt dat te verkondigen. Ik zie de opdruk op de achterkant van zijn trui, een fleece geloof ik, misschien is het een sweater. Er staat op: ‘Ik denk, ik denk, ik denk’. Ik heb daar later nooit iets over gehoord maar ik geloof niet dat ik het verzonnen heb. Omdat ik op dit moment, nu er nog niets aan de hand is, al denk: leuke trui. (Ja, sorry, ik denk zelden echt verheffende zaken vroeg in de ochtend.) lees verder

Bron(nen):   Het Parool