De Kopenhagen-agenda

Als het zo is, zo vraagt The New York Times zich af, dat er min of meer wetenschappelijke consensus is over het menselijk handelen dat de planeet opwarmt, waarom is het dan zo moeilijk om hier eensgezind plannen voor te beramen?
Omdat de 192 landen die in Kopenhagen aanwezig zullen zijn, allemaal weer andere prioriteiten hebben. Het mag zo zijn dat ‘iedereen’ belang heeft bij het terugdringen van de uitstoot van fossiele gassen, en dat stijgende temperatuur en stijgende zeesspiegels moeten worden bestreden, maar na deze vaststelling begint de ellende. 
Om te beginnen heb je de tegenstelling rijke landen – arme landen. 
Bolivia en Tsjaad en Mauritius – om maar enkele landen te noemen – zeggen dat ze meer te lijden hebben onder de gevolgen van de klimaatsverandering dan rijke landen. En dat ze geen geld hebben om de gevolgen te neutraliseren. Ze willen van de rijke landen geld en technologie om uit de brand te geraken. Het Westen staat hier begrijpelijkerwijs niet om te springen. 
Dan is daar de tegensteling ontwikkelde versus ontwikkelingslanden. 
Post-industriele economieen zoals de Westeuropese landen zijn het smeerpoetsstadium als het ware al voorbij. Terwijl opkomende economieen zoals Brazilie en India nog volop aan het vuilspuiten zijn. 
Verder heb je de tegenstelling landen aan de kust en landen landinwaarts. 
Landen als Maladiven, Haiti en Singapore kijken heel anders tegen de rijzende zeespiegel aan dan Zwitserland. 
Andere tegenstellling: Europa versus Europa. 
Het ene land is beter tot uitstoot-reductie in staat dan het land (Polen, Estland) waar nog volop kolen in gebruik zijn. 
En wat dacht u van Opec-landen versus de rest? 
Lees The New York Times voor een uitputtende opsomming van de dilemma’s van Kopenhagen.

Bron(nen):   The New York Times