‘Nederland heeft niets voor Zahra Bahrami gedaan’

‘Ali’, een vriend van de Iraans-Nederlandse Zahra Bahrami zag hoe zij werd opgepakt bij de demonstraties in Teheran tegen de verkiezingsfraude door het regime op 27 januari 2009. Het zou de laatste keer zijn dat hij haar zag, vertelt hij in De Pers. Twee jaar later werd ze op 29 januari opgehangen.
Minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken) erkende na de executie dat hij tekort was geschoten, door niet persoonlijk haar zaak te bespreken met zijn Iraanse collega. Hij zou op het verkeerde been gezet zijn door het regime, dat het doodvonnis onverwachts voltrok. Toen ze ook nog honderden kilometers verderop begraven werd, zodat haar familie er niet bij kon zijn, haalde Rosenthal de Nederlandse ambassadeur terug.

Ali belde nadat Zahra was opgepakt met de Nederlandse ambassade in Teheran, maar kreeg de ambassadeur pas te spreken nadat hij zei dat hij iemand was van van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. De ambassadeur beloofde dat hij zou praten met de autoriteiten en dat hij zou proberen om haar vrij te krijgen.
Volgens Ali was dat eind januari 2010. Terwijl BuZa in Den Haag stelt dat het pas in juli 2010 op de hoogte was van Zahra’s identiteit. ‘Het is alsof je tegen een muur praat. Ze hebben niets voor haar gedaan, het ministerie heeft niet eens bijgedragen in de advocatenkosten toen haar dochter daarom vroeg. Where the hell was the international pressure. Was dat ook zo gegaan als ze Nederlandse van geboorte was…?’
‘De wereld weet nu toch wel dat dit wrede regime tot alles in staat is, dat ze liegen, martelen, verkrachten… En dan hebben ze ook nog het lef om te zeggen dat Nederland ‘dankbaar’ moet zijn dat ze Zahra geëxecuteerd hebben. Dáárom wil ik haar naam zuiveren.’

Bron(nen):   De Pers