Waarom het in New York helemaal misgaat en in Californië niet

Californië en New York hadden in de eerste week van maart ongeveer evenveel coronabesmettingen. Afgelopen vrijdag waren er in Californië 11.889 mensen besmet. In New York waren dat er 102.985, bijna tien keer zoveel dus. Waarom gaat het in de Golden State zoveel beter dan aan de oostkust?

Vroege maatregelen
In Californië stond de teller vrijdag op 264 doden, in New York op bijna 3.000. “Als we straks terugkijken en zien dat er in Californië tienduizenden levens zijn gered, denk ik dat we daar meerdere factoren voor zullen aanwijzen,” zegt dr. Robert Wachter, professor aan de University of California tegen CNN. “Maar ik ben ervan overtuigd dat de belangrijkste reden is dat leiders, zowel bij de overheid als in het bedrijfsleven, het virus direct heel serieus namen. Ze zagen meteen in dat het een groot risico vormde en deden al snel het juiste.”

Techbedrijven
“Vooral in Noord-Californië zijn er veel techbedrijven. Google, Apple en andere techgiganten besloten al op 5 maart dat werknemers thuis moesten werken,” aldus Wachter. “De teneur was hier dat het een serieuze zaak betrof en dat we moesten luisteren naar de experts. En dat deden de mensen.”

Daarna volgden snel aanvullende maatregelen tot op 19 maart zelfs besloten werd dat niemand meer zijn huis uit mocht, behalve voor noodzakelijke boodschappen, medicijnen en gezondheidszorg of als ze een vitaal beroep hebben.

Controversieel
Wachter vertelt dat de maatregelen van Californië zwaar en controversieel waren, maar dat ze lijken te werken. “Er waren mensen die zeiden: Waarom doen jullie dit? Jullie helpen de economie om zeep. Maar over het algemeen was de heersende opinie dat we moesten vertrouwen op de wetenschap. Als dit is wat de wetenschap zegt dan moeten we daar naar luisteren.”

In New York werd er te lang laconiek gereageerd op de coronacrisis, maar kwamen de maatregelen niet eens zo heel veel later als aan de andere kant van het land. Alleen: die paar dagen maken direct een groot verschil.

Bron(nen):   CNN