Uit eten in Parijs

Eerst bleef ons oog slechts hangen bij deze sublieme foto in het ‘eten en drinken-katern’ van The New York Times. We zijn hier binnen in La Tour d’Argent, een restaurant gelegen aan de Seine ter hoogte van Ile St. Louis, vanwaar – maar dat hoeft nauwelijks betoog – het uitzicht werkelijk schitterend is. 
Maar van het een kwam het ander, en al snel zaten we het bijgaande stuk te lezen wat erg interessant bleek te zijn.
La Tour d’Argent was een jaar of 10 geleden nog een van de beste Parijse restaurants. Dus je zat er niet alleen vorstelijk (‘mooiste uitzicht van de stad’), je at er ook vorstelijk. Het moet gezegd dat Franse eetgelegenheden er vaak erg lang is slagen hun goede reputatie vast te houden, iets dat alleen maar lukt als je ook erg je best doet. Het bekende Holandse patroon: een zaak komt in de mode, de gasten snellen toe, het is enige tijd overvol en met de kwaliteit van eten, drinken en bediening gaat het bergafwaarts, is er dus veel minder gangbaar.
Maar natuurlijk komt het soms voor dat een zaak zijn reputatie verliest en dan begint de lange weg terug naar de top.
Bij La Tour d’Argent zijn ze nu eerst begonnen de 428-jaar oude wijnkelder op te ruimen. Reventelijk veilden ze 18.000 flessen wijn en dat bracht  niet alleen ruimte, maar ook 1,5 miljoen euro in het laatje.
Nu is het zaak om weer voldoende klanten over de vloer te krijgen die gerust 200 euro p.p. voor een maaltijd neertellen en daarbij begrijpen dat je voor dat bedrag nog niets te drinken hebt gehad. 
Het vervelende is daarbij, dat het toerisme de laatste tijd in Parijs wat is ingezakt. En dat de echt gefortuneerde reizigers, die overnachten in hotels als Le Bristol en en de Ritz, er aardigheid in hebben gekregen om voor 30 euro in een eenvoudig tentje te gaan lunchen.
Ja, hallo! Als zelfs mensen die er nog wel geld voor hebben niet meer zijn te porren om urenlang opgeprikt in een exclusief restaurant aan tafel te gaan, dan zijn de problemen wel erg groot geworden.
Ga naar The New York Times voor de achtergronden van deze kwestie.

Bron(nen):   The New York Times