Waar de zon nooit ondergaat

De verslaggever van The Economist reisde naar Longyearbyen, de zogenaamde hoofdstad van Spitsbergen in de Noordlijke IJszee. Het is middernacht maar aan de dag komt daar geen einde. 
Op 21 juni vanuit Oslo het vliegtuig nemen naar het hoge noorden is een minuscule trend. Om aldaar mee te maken hoe de langste dag van het jaar ook letterlijk de langst denkbare dag is, de ‘annual midnight-sun marathon.’
Longyearbyen is maar een klein stadje en zelfs in dit voordelige jaargetijde is het geen aantrekkelijke plaats. Net als het overgrote deel van het artische gebied, is het een soort woestijn waar slechts weinig groeit en bloeit. Huizen staan her en der, soms naast elkaar maar nergens krijgt de bezoeker het gevoel dat een stedelijk gebied heeft betreden.
Wel is daar achter de Noorderzon sprake van de nodige wetenschappelijke arbeid; op de 3000-zielen tellende archipel komt menig veldwerker af die ter plekke wil zien hoe de natuur zich verhoudt tot de rest van de wereld – waarbij klimaatkunde zeker niet een ongeschoven vakgebied is. 
Dan is er nog de mogelijkheid aan boord te stappen van de Nordsyssel, een schip dat naar de Isfjorden vaart, een soort binnenzee die geheel is omringd door hoge besneeuwde bergen.
Ach, de reisjournalistiek is iets moois want zo kom je als lezer op allerlei plekken die je nog nooit hebt aangedaan en waarvan je denkt: eens, op een dag gaan we op weg naar… en dan volgt zo’n exotische naam.
In dit geval bekroop ons een heel ander gevoel en dachten we aan de wijze raad van schaakgrootmeester J.H. Donner, die de volgende wijze woorden schreef: ‘Jonge vriend, ga naar het zuiden.’

Bron(nen):   The Economist