Waarom coronavirus veel minder hard toeslaat in Oost-Europa: het heeft met genen te maken

Het is opmerkelijk: in de Zuid-Europese landen slaat het coronavirus veel harder toe dan in Oost-Europa. Volgens onderzoekers van de UGent komt dat mogelijk door genetische verschillen, meer precies gaat het om het D-polymorfisme van het ACE1-gen.

In landen waar mensen vaak deze genvariant hebben, zijn minder coronabesmettingen en minder doden. Daardoor worden Oost-Europa, de Balkan en Scandinavië minder hard getroffen, denken de onderzoekers. “In grote lijnen komt het D-polymorfisme van het ACE1-gen bijvoorbeeld vaker voor naarmate je oostelijker in Europa gaat”, zegt professor Joris Delanghe. “Tegelijk zie je dat de ernst van de Covid-19-epidemie afneemt als je van West- naar Midden- en Oost-Europa gaat.”

De onderzoekers keken naar genen waarvan verschillende versies (polymorfismen) bestaan, zoals het gen voor oog- of haarkleur. Ze vergeleken Europese landen met elkaar en pakten de besmettingsdata van Johns Hopkins University erbij. Zo ontdekten ze een verband tussen het aantal besmettingen en de aanwezigheid van het D-polymorfisme van het ACE1-gen.

Na correctie voor het verschillende startmoment van de epidemie kan 48 procent van het verschil in aantallen besmettingen worden verklaard door het wel of niet voorkomen van dit specifieke polymorfisme bij de bevolking. Met deze informatie kan het verloop van een epidemie in een land veel beter voorspeld worden.

Bron(nen):   HLN