Dyslexie: een wondere spel(l)ing der natuur

Een gangbare definitie van dyslexie is die van Stichting Dyslexie Nederland: ‘Dyslexie is een stoornis die gekenmerkt wordt door een hardnekkig probleem met het aanleren en het accuraat en/of vlot toepassen van het lezen en/of het spellen op woordniveau’. Hardnekkig betekent dat de school er niet in slaagt om met enige inspanning de achterstand weg te werken. Dus kan de diagnose meestal pas aan het eind van groep 4 worden gesteld. En dat is jammer, want hoe eerder je erbij bent, hoe beter.

Dyslexie opsporen bij jonge kinderen die nog niet leren lezen: kan dat? Lezen en schrijven vereisen een combinatie van taal- en visuele functies. Deze hersenfuncties beginnen zich al te ontwikkelen in de baarmoeder. En ze kunnen al onderzocht worden bij baby’s. In een onderzoek kregen 300 baby’s een soort van badmuts vol elektroden op hun hoofd en een scherm met bewegende stippen voor zich. De onderzoekers gaan ervan uit dat de stippen te vergelijken zijn met taalklanken. In beide gevallen gaat het om snel veranderende zintuiglijke informatie. Drie maanden later kregen de kleintjes weer de badmuts op en kregen ze verschillende spraakklanken te horen. Hieruit bleek dat 35% van de kinderen van dyslectische ouders een ander hersenpatroon vertoonden. Bij kinderen van niet-dyslectische ouders was dat 10%. Toen de kinderen 1,5 jaar waren, kwamen ze terug naar het lab. Dan werd hun woordenschat onder de loep genomen. Sommige kinderen breiden hun woordenschat snel uit, andere langzaam. De langzame kinderen waren niet 100% dezelfde als die met een ander hersenpatroon reageerden op de stippen en de klanken, maar er was wel veel overlap. De kinderen worden nog steeds gevolgd en daaruit zal blijken welke kinderen uiteindelijk de diagnose dyslexie krijgen.

Wat is er al bekend over de hersenen van dyslectici? Er is sprake van een afwijking in een hersenorgaantje in het taalcentrum dat helpt om spraakklanken te onderscheiden: het planum temporale. Bij baby’s is dit groter dan bij volwassenen. Baby’s kunnen veel meer klanken onderscheiden. Naarmate ze groter worden verliezen ze de gevoeligheid voor klanken uit talen, die ze nooit horen. Als ze 3 jaar zijn is het planum temporale gekrompen tot zijn uiteindelijke omvang. Maar bij dyslectici slinkt het veel minder. Ze blijven klankverschillen horen die er niet toe doen. Het voordeel daarvan is dat ze klanken uit vreemde talen beter kunnen uitspreken. En met talen met een heldere, consequente spelling hebben mensen met een lichte vorm van dyslexie ook minder moeite.

Is dat alles? Nee, vaak zijn er ook aandachtstekorten: ADHD, ADD en subtielere varianten. Anderen menen dat er ook visuele stoornissen zijn, zoals problemen met oogvolgbewegingen. die zouden voorkomen bij 1/3 van de dyslectici. Maar speciale brilletjes en oogtrainingen zijn flauwekul. Meer dan een placebo-effect valt er niet van te verwachten.

Bron(nen):   Onze Taal (niet online)