Het Al-Qaeda van de jaren ’50

‘Deze vijand zal niet aarzelen welk wapen of tacktiek dan ook te gebruiken. Nucleaire wapens, gesmokkeld door poreuze grenzen, bedreigen Amerikaanse steden. Slapende cellen kunnen al in het land zijn.’ Dit klinkt als de retoriek van de regering-Bush, in de jaren na 11 september, toen de angst er goed in zat. Maar dit is niet de tekst van de inlichtingendiensten in de eenentwintigste eeuw, deze tekst komt uit een rapport van de Amerikaanse regering in 1951. De brief was niet gericht aan Bush maar aan president Truman.
Sinds het einde van de koude oorlog is het gevaar van een massieve aanval met kernwapens uit de Sovjet-Unie vervangen door de angst voor terroristen, die met gestolen of zelfgemaakte kernwapens de levens van duizenden Amerikaanse burgers bedreigen. Volgens veiligheidsdeskundigen is nucleair terrorisme een van de grootste bedreigingen voor de veiligheid van de VS.
Maar er is niks nieuws onder de zon. Al sinds de uitvinding van de atoombom is de regering doodsbang geweest dat geheim agenten uit Rusland kleine kernwapens de VS binnen zouden smokkelen en deze tot ontploffing zouden brengen. Ook in de jaren ’50, net als nu, zocht de FBI het land af naar slapende cellen, wachtend op orders om aan te vallen. Documenten van de FBI, waar de The New York Times de hand op heeft weten te leggen, vertellen een verhaal met grote gelijkenis met de huidige situatie, waarin communistische agenten de rol van Al Qaeda spelen.

Bron(nen):   The New York Times