Socioloog over IS-gangers: “Sommigen hebben spijt, velen zijn nog erg radicaal”

Uit wat voor gezinnen zijn de jongeren die naar Syrië vertrokken afkomstig? Wat was de rol van de vrouwen in het kalifaat? En hebben ze echt spijt? De Vlaamse criminoloog en socioloog Marion van San probeert in de Volkskrant antwoord te geven op die vragen.

Van San had de afgelopen zeven jaar nauw contact met 43 Nederlandse en Belgische families van geradicaliseerde jongeren die naar Syrië zijn vertrokken en een twintigtal vrouwen die zijn afgereisd. Ze schrijft erover in haar boek Kalifaatontvluchters. Ook is ze aanwezig bij de rechtszaak

Veel vrouwen willen na de val van het kalifaat met hun kinderen terugkeren. Hebben ze echt spijt? Van San zegt daarover in de krant: “Er zijn vrouwen bij die zeggen: ik heb mij enorm vergist, het was in Syrië allemaal heel anders dan ik had verwacht. Maar het zijn juist de spijtoptanten die met mij in gesprek willen natuurlijk. Uit de verhalen die ik van hen hoor, concludeer ik dat zij in de kampen een kleine minderheid zijn, de meeste vrouwen daar zijn nog erg radicaal.”

Spijtoptant
De socioloog gaat verder: “Mensen hebben natuurlijk een enorm belang om zich nu te distantiëren van IS, er lopen rechtszaken tegen hen. In gesprekken merkte ik dat veel tijdslijnen niet klopten. Als iemand bijvoorbeeld zegt dat zij sinds 2016 pogingen heeft gedaan om te ontsnappen, probeer je dat te rijmen met sporen op Facebook, getuigenissen van anderen. Ook over de rol van hun echtgenoot spreken de vrouwen vaak liever niet, of alleen bagatelliserend. Je blijft vragen, vragen, vragen. En dan nog blijft het moeilijk. Er is iemand met wie ik anderhalf jaar contact had en die zich overtuigend presenteerde als een spijtoptant, maar van wie ik onlangs ontdekte dat ze dat niet is.”

“Toch denk ik, met alle kanttekeningen die je erbij moet plaatsen, dat die leugens niet betekenen dat er helemaal niets klopt van de informatie die deze vrouwen geven. Dat vrouwen in het kalifaat de meeste tijd thuis zaten met de kinderen, is wel aannemelijk. Het past in de IS-ideologie en ik heb nooit bewijs gezien dat vrouwen in groten getale deelnamen aan de gewapende strijd. Wat zeker niet wil zeggen dat hun rol onbelangrijk was, want ze faciliteerden de strijders en speelden een grote rol in de IS-propaganda en het rekruteren van nieuwe mensen.”

Kleine criminaliteit
Over de jongeren die naar het kalifaat vertrokken, vertelt ze dat religie meestal van ondergeschikt belang was. “De meeste uitreizigers waren voor hun radicalisering niet erg serieus met hun geloof bezig. Veel van die jongemannen hadden van alles uitgehaald in de kleine criminaliteit, gingen veel uit, gebruikten drank en drugs. Voor de vrouwen geldt dat er relatief veel bekeerlingen bij zijn, die er in hun jonge leven vaak al losse seksuele contacten op nahielden, uitgingen, veel dronken, sommigen hadden ervaring met prostitutie. Beïnvloedbare jongedames die, als er toevallig een Hell’s Angel op hun pad was gekomen, misschien daar wel in waren meegegaan. Ieder individueel radicaliseringsverhaal is anders, maar wat je vaker ziet terugkomen is dat mensen op een bepaald punt zochten naar vergeving van hun zonden en toen, bijvoorbeeld door een vriendinnetje dat moslim was, met de islam in aanraking kwamen. Ouders waren daar in eerste instantie vaak wel blij mee: hun dochter kwam niet meer dronken thuis, maar zat thuis op de bank.”

Probleemgezinnen
De Nederlandse en Vlaamse jongeren die naar Syrië vertrokken, kwamen meestal uit probleemgezinnen. “Die families lopen zeer uiteen, maar laat ik zeggen dat er weinig gezinnen bij zijn waarin je geen problemen kunt ontdekken,” aldus Van San. “Niet in de zin van extremisme, maar bijvoorbeeld huiselijk geweld, schulden. Ouders vertelden daar in eerste instantie meestal niet over, schetsten tegenover mij een beeld dat er nooit veel aan de hand was geweest. Zo kwamen zij ook in de media. Maar ik heb ook met een dertigtal leraren gesproken bij wie die uitreizigers in de klas hadden gezeten en dat gaf een ander beeld. Een vader die veel interviews gaf over zijn uitgereisde kind bijvoorbeeld, vertelde daarin niet dat hij zelf gokverslaafd was en zijn zoon vaak aan zijn lot had overgelaten. Van een andere jongen zeiden leraren: we hadden wel voorzien dat het helemaal mis zou gaan met hem, die ouders lieten nogal wat steken vallen. Je kunt de radicalisering daar niet een op een uit verklaren, maar er was wel een voedingsbodem van problemen waardoor deze jongeren zoekende waren.”

Bron(nen):   De Volkskrant