Het zijn allemaal joden in die bank, mijn vijanden."

 Dia van de Franse integratie. Een 27-koppige bende uit de Parijse buitenwijk Bagneux ontvoerde begin 2006 de joodse telefoonverkoper Ilan Halimi, hield hem drie weken gevangen en eiste losgeld, dat niet kwam.
Uiteindelijk stak bendeleider Youssouf Fofana (de aantrekkelijke man op de foto links) het slachtoffer in de hals, overgoot hem met een brandbare vloeistof en hield zijn aansteker erbij. Halimi werd op een afgelegen plek naakt en geboeid achtergelaten. Hij overleed aan zijn verwondingen op weg naar het ziekenhuis.
De zaak is meer dan een gruwelijk fait divers, zoals blijkt uit de omzichtige berichtgeving, schrijft Luuk Middelaar in NRC Handelsblad. Het is een brandpunt van de Franse integratieproblemen.

Hoofdverdachte Fofana kreeg levenslang: 22 jaar onvoorwaardelijk. De overige bendeleden kregen tussen de zes maanden en achttien jaar cel; twee werden vrijgesproken. De entourage van het slachtoffer en joodse belangenorganisaties kritiseren de lichte straffen voor de 26 medeplichtigen.

Antisemitisme was evident een motief. Maar het was meer dan een platte gelijkstelling van ‘jood’ aan ‘geld’ (en dus losgeld), zoals Fofana’s advocaat wilde doen geloven. Tijdens het proces trok de dader een schoen uit en wierp deze naar de familie Halimi, met de woorden: „Het zijn allemaal joden in die bank, mijn vijanden. Dit is een Arabische aanslag met een schoen-bom.” Overigens is Fofana zelf geen Arabier, maar een zwarte moslim en Frans burger.

De dader ziet zichzelf niet als slachtoffer, maar als strijdbare moslim. Zijn optreden tijdens het proces herinnert aan ‘onze’ Mohammed B. Hij erkende de Franse wet en dus het proces niet, wel de sharia. Als enige van de 27 verdachten toonde hij geen berouw. Zeer opmerkelijk waren zijn laatste woorden ter zitting, afgelopen woensdag: „Beter één dag geleefd als een leeuw dan honderd dagen als een schaap.” (Libération , 11 juli)
Dit verlangen naar heroïek moet serieus worden genomen, zo betoogt Christopher Caldwell in zijn Reflections on the Revolution in Europe; Immigration, Islam and the West (2009). Caldwell volgt als Amerikaans journalist en als columnist van de Financial Times de Europese immigratieproblematiek al tien jaar.

De zaak-Fofana illustreert twee van Caldwells voornaamste stellingen. Ten eerste: de recente Europese immigratieproblematiek is geen overgangsprobleem. De vader van Fofana was een typische immigrant van de eerste generatie uit Ivoorkust, een hardwerkende glazenwasser: „Ik ben oud en sta elke dag om zes uur ’s ochtends op om te werken, terwijl Youssouf niets uitvoert.” Uiteraard zijn er talrijke tegenvoorbeelden, maar nogal wat kinderen van de tweede en derde generatie drijven af van het land waar hun machteloos toekijkende ouders nog wilden inburgeren. Ook Mohammed B. was zo’n geval van ‘de-assimilatie’.

Ten tweede: in tegenstelling tot veel islamcritici beschouwt Caldwell de religie niet als ‘achterlijk’ of ‘minderwaardig’. Nee, hij meent dat de bedreiging van de islam voor Europa juist ligt in zijn vitaliteit, in het bieden van een aantrekkelijk alternatief voor Europese, geseculariseerde „zielloze woestenij van de moderniteit”. Dit vereist dat je het verschijnsel religie serieus neemt als politieke factor en niet beschouwt als een langzaam verdwijnende troostprijs voor eenzame weduwen en maatschappelijke losers.

Bron(nen):   NRC Handelsblad