Minder ik, meer wij: In Afrika bestaat een depressie niet

Depressie is in het westen een groot probleem. Bijna 20 procent van de volwassen Nederlanders krijgt er ooit in zijn leven mee te maken. In Afrika daarentegen bestaat er niet eens een woord voor. De Kameroense filosoof Pius Mosima denkt dan ook dat we op dit gebied veel van Afrikaanse culturen kunnen leren.

“Er wordt hier heel anders tegen de ziekte aangekeken,” begint Mosima in Trouw. “Depressie, zoals de westerse geneeskunde het begrijpt, bestaat hier niet. En in die inheemse talen die ik heb onderzocht is er dus geen woord voor te vinden. Dat betekent niet dat de symptomen niet bestaan: ook hier zijn mensen neerslachtig, verliezen interesse in de dingen en zonderen zich af. Maar de culturele overtuiging is dan niet dat iemand een depressie heeft, maar dat de relatie van die persoon ten opzichte van het geheel is verstoord.”

Hoe dat wordt opgelost? “Door diegene weer onderdeel te laten uitmaken van het geheel, door hem of haar opnieuw te betrekken bij de gemeenschap. In de Afrikaanse context is genezing een allesomvattend, holistisch proces, dus dat gebeurt publiekelijk. Er wordt gegeten, gedanst, er worden rituelen uitgevoerd, er wordt plezier gemaakt. Daar worden soms ook sangoma-priesters bij betrokken, die de kennis en wijsheid van de voorouders bij zich dragen. Het helingsproces is erop gericht om de verbroken verbintenis tussen de gemeenschap en de persoon te herstellen, want zonder die verbinding kan het individu niet daadwerkelijk bestaan.”

Het idee dat de mens deel is van een groep mensen staat centraal. “Je bent altijd onderdeel van een groter geheel. In dat gedachtegoed is het hoogst haalbare voor iemand dan ook om een positieve relatie te hebben met de mensen om zich heen. Vriendelijkheid, compassie, zorg voor anderen, tolerantie; dat zijn waarden die heel belangrijk zijn. Het gemeenschappelijke leven is de basis, daar komt alles uit voort. Dat maakt je tot wie je bent en niet je persoonlijke successen.”

In het westen ligt de focus juist op het individuele weet de filosoof. “Het gaat vaak over persoonlijke doelen behalen, succesvol zijn, iets bereiken als persoon; dat maakt je tot wie je bent. Het ‘ik’ neemt dus een hele prominente plek in binnen het westerse denken. Dat komt onder andere voort uit het gedachtegoed van belangrijke westerse filosofen zoals Immanuel Kant, Thomas Hobbes, René Descartes. ‘Ik denk dus ik ben’, zei Descartes. Hij maakt daarmee onderscheid tussen lichaam en geest en hij stelt het menselijk denkvermogen voorop, het ‘ik’ staat centraal. Als Descartes Afrikaans was geweest, had hij eerder gezegd: ‘Jij bent, dus ik ben’, of ‘Ik behoor tot een gemeenschap, dus ik ben’. Het een staat niet los van het ander. Autonomie en individualiteit zijn van minder groot belang als de gemeenschap vooropstaat.”

“Je wordt een mens door andere mensen. Afzondering en isolatie vormen een broedplaats voor depressieve gevoelens. Daarom denk ik dat mensen in het Westen ervan zouden profiteren als het gemeenschappelijke in plaats van het individuele voorop wordt gesteld. Als de focus verplaatst wordt van individuele doelen behalen naar zorg voor elkaar. Minder ik, meer wij.”

Bron(nen):   Trouw