Van hoop des vaderlands naar ADHD’er

In het begin van de 20e eeuw werden jongens nog gezien als mannen-in-wording, op weg naar een belangrijke rol in de maatschappij. Dat ze brutaal en baldadig waren, hoorde erbij. Tegenwoordig vormen die eigenschappen een probleem, vooral in de klas. Jongens zijn niet veranderd, wel hoe opvoeders naar hen kijken, concludeert historica Angela Crott die opvoedingsliteratuur over jongens tussen 1882 en 2005 bestudeerde.

Jongens doen het in het onderwijs minder goed dan meisjes. Dat zou komen omdat het huidige onderwijs beter aansluit bij ‘meisjes’-competenties, zoals communicatieve vaardigheden. Angela Crott, gefascineerd door opvoeding en sekseverschillen, zag er aanleiding in om de geschiedenis in te duiken.

Wat is er aan de hand met de jongen als ‘opvoedeling’? Is er eigenlijk wel wat met hem aan de hand? Nee, met jongens is niks aan de hand. Zij zijn, aldus Crott, wezenlijk hetzelfde gebleven. Jongens hebben altijd een drang tot lawaai, actie, exploratie en gelding gehad. Wat door de tijd verandert, is de waardering voor die ‘jongenseigenschappen’ – wat weer een gevolg is van veranderingen in de samenleving.

In de eerste periode die Crott bestudeerde, 1882-1900, worden adolescente jongens beschreven als thuis niet altijd even gemakkelijk, geen zin hebbend in school, worstelend met hun seksualiteit – aspecten die in de opvoedingsliteratuur erna vaak terugkomen. Maar in deze periode zijn deze kenmerken geen groot probleem, want de jongen is ‘de hoop des vaderlands’.

Dat blijft hij tussen 1900 en 1945. ‘Dat de jongen toen de held was – de ‘erfprins des hemels’ werd hij in een van de bronnen genoemd -past bij de hiërarchische samenleving van die tijd. Mannen werkten, vrouwen ondersteunden hen; vaders stonden aan het hoofd van het gezin. Dat was het voorland voor de jongen.’

Dat jongens wel eens een grote mond hadden, was bijzaak, van voorbijgaande aard. De opvoedingsliteratuur van deze periode tilt ook niet zwaar aan het hebben van een diploma. Het is duidelijk dat veel jongens ‘ideale schooleigenschappen’ missen als concentratievermogen, gehoorzaamheid, stil kunnen blijven zitten. Als een jongen zonder diploma school verlaat, is hij geen mislukkeling.

Na de oorlog verandert het beeld en wordt de baldadigheid van jongens vaker beschreven als overlast. De grens tussen kattenkwaad en criminaliteit wordt een onderwerp. Verschillende ontwikkelingen spelen hierbij mee, zegt Crott. Verstedelijking, waardoor groepjes baldadige jongens in steden vaker opduiken en opvallen; het wegvallen van de vooroorlogse jeugdbewegingen als ontmoetingsplek; democratisering, waardoor het gezag van de ouders afneemt.

De jongen wordt echt verdacht tussen 1970 en 1980, het hoogtepunt van de 2e feministische golf. Zijn jongensagressie moet worden ingetoomd, net als zijn hoogmoedige geldingsdrang, want waarom zou hij beter zijn dan meisjes?

Tussen 1980 en 2005 is de sekseneutrale opvoeding in zwang. Jongens mogen zich steeds minder jongensachtig gedragen. Een goede opleiding worden belangrijker en jongenseigenschappen die daar slecht bij aansluiten (lawaai, een overdaad aan lichamelijke energie, ongehoorzaamheid) worden als een probleem gezien en zelfs gemedicaliseerd. ADHD leidt tot gedrag dat op school heel slecht uitkomt. Pillen daartegen schelen enorm in de onrust in de klas.

Bron(nen):   Radboud Universiteit