In Nederland wil de ober ‘respect’

U kent dat wel: je zit op een terras en je moet 4,35 euro afrekenen. Je geeft een briefje van tien en dan volgt er het ritueel van het teruggeven. Na het biljetje van vijf volgt langdurig wroeten in de grote buidel, op zoek naar wisselgeld. Een ongemakkelijke situatie. De meesten zeggen: ‘‘laat maar”.
In Nederlandse café’s en restaurants eist het bedienend personeel nu standaard een fooi. Daarmee trekken obers en kelners hun maatschappelijke ondergeschiktheid recht, schrijft Hessel Zondag in de NRC. Zondag, sociaal wetenschapper aan de Universiteit van Tilburg, doet niet mee.
Fooi geven mag, vindt Zondag, maar een recht op fooi bestaat niet. Het is een toegift, vindt hij – in Nederland tenminste. Maar wie geen fooi achterlaat, ontvangt vaak verongelijkte blikken.
Sinds de jaren zestig is Nederland volgens Zondag veranderd van een land waarin dienstbaarheid een deugd was in een land waar dienstverlening laag op de agenda staat. ‘Sinds een jaar of vijftig zijn alle Nederlanders gelijk aan elkaar (…). Daarom voelen alle partijen zich ongemakkelijk bij het dienstbetoon op het terras. Wie bedient, moet sjouwen op bestelling. Dat valt niet mee, in een tijd waarin iedereen ‘respect’ eist’.
Bedienen vereist psychologische evenwichtskunst en bestellen (vriendelijk anders lijkt het een bevel) vraagt subtiliteit. Het is dus geven en nemen. Zondag: ‘Wie wordt bediend, kan zijn bovengeschiktheid afkopen met een fooi, want wie spijt betuigt, buigt’.

In Nederland moet die fooi ook openlijk worden gegeven, en niet discreet bij het verlaten van de zaak. Dat schijnt de maatschappelijke gelijkheid van gast en ober te herstellen. Spijtbetuigingen werken alleen in de openbaarheid, schrijft Zondag. ‘De kelner wil het gebaar zien, net zoals de klant wil zien dat zijn gebaar aankomt. Anders kan hij niet bevrijd van de zonde van bovenschikking het terras verlaten.’

Bron(nen):   NRC Handelsblad (betaald on line)