Ook Obama kreeg geld van AIG

Met vrijwel al zijn landgenoten is de Amerikaanse president Barack Obama verontwaardigd over de bonussen die het verzekeringsconcern AIG heeft uitgekeerd, maar uit een artikel in The Wall Street Journal blijkt dat de president op zijn minst een beetje boter op zijn hoofd heeft. Obama heeft namelijk zelf ook geld gekregen van AIG. Werknemers van het bedrijf doneerden vorig jaar 104.000 dollar aan de campagne van Obama.
De politicus die de meeste financiële steun van AIG kreeg is de Democraat Christopher Dodd uit Connecticut, die sinds 1990 een bedrag van 280.000 dollar ontving. Dat is saillant omdat Dodd in de Senaat voorzitter is van de bankcommissie. Dodd was vorig jaar ook in de race voor het presidentschap. De politicus heeft inmiddels aangekondigd dat hij geen giften meer zal accepteren van financiële concerns die met staatssteun overeind worden gehouden.
Intussen breken Congresleden van zowel de Democraten als de Republikeinen zich het hoofd over de vraag wat ze kunnen doen om de uitgekeerde bonussen terug te vorderen, zo schrijft The Christian Science Monitor. De woede over de riante beloning is bij beide politieke partijen groot en de Congresleden willen hun kiezers snel resultaten laten zien, maar het is heel onduidelijk of de Congresleden veel kunnen doen. De eerste stap is een reeks hoorzittingen houden, vooral om stoom af te blazen. Een volgende stap zou het invoeren kunnen zijn van een bonus-belasting van honderd procent bij ondernemingen die met staatssteun overeind worden gehouden, zoals twee Democraten in het Huis van Afgevaardigden hebben voorsteld.
Andere Congresleden wijzen erop dat het moeilijk zal zijn dit soort maatregelen met terugwerkende kracht op te leggen. Bovendien kan het Congres niet het risico nemen dat AIG alsnog failliet gaat, zo betoogt onder meer Dodd. "Om het zakenleven te laten functioneren en banen te laten creëren, en dat midden in een financiële crisis waarin de kredietverlening stilligt, dan kun je de cruciale rol van verzekeringen niet overschatten."

Bron(nen):   The Wall Street Journal  The Christian Science Monitor