Reformatorisch Dagblad: "Moslims? Ketters en vooral onbekeerlijk"

Het Reformatorisch Dagblad zegent deze dag met de volgende historische beschouwing. Opgemerkt door Wim de Bie.
De christelijke middeleeuwen kunnen voor moslims nog zo donker zijn geweest, er waren ook mensen die koste wat het kost het licht wilden verspreiden. Zoals Raymundus Lullius. Hij noemde de islam vals en duivels, maar gaf wel zijn leven in een poging moslims tot Christus te leiden.

Het is rond het jaar 1310. Onrust in Noord-Afrika. Aan de Middellandse Zeekust, in het noorden van Algerije, rapen woedende moslims stenen van de grond. Ze treffen een hoogbejaarde man, die zwaargewond ineenzijgt. Als dood ligt hij op de grond; korte tijd later sterft hij. De reden van zijn straf: hij preekte hun Christus.

De oude man is Raymundus Lullius, een begaafd wetenschapper en monnik uit Mallorca. Hij heeft in de jaren daarvoor vaker door Noord-Afrika gereisd, steeds met hetzelfde doel: een schakel zijn voor de bekering van moslims.

Die bekering moet wat hem betreft niet met het zwaard worden afgedwongen. De islam mag dan zonder twijfel een „valse en duivelse religie” zijn, moslims moeten tot geloof komen door de geweldloze prediking van het Evangelie – hoewel hij die visie later nuanceert. Een opmerkelijk ideaal, waarvoor hij het hele Middellandse Zeegebied bereist. Hij klopt aan bij vorsten, bezoekt universiteiten en geeft overal tekst en uitleg om medestanders te vinden.

Die laten zich echter niet zo gemakkelijk vinden. Lullius’ visie op de islam als ketters en duivels wordt breed gedeeld, dat is het probleem niet. Maar dat moslims te redden zouden zijn, is een ander verhaal. Een verhaal met een geschiedenis.

Nog geen twintig jaar voor de steniging van Lullius valt Akko in handen van islamitische troepen. Nota bene Akko, het laatste verdedigingsbolwerk van de kruisvaarders in het huidige Israël. De klap in het Westen is groot. Het kruis is verslagen in het Beloofde Land!

In deze periode wint de gedachte snel terrein dat het bekeren van moslims onbegonnen werk is. Ze zijn te vleselijk, te dierlijk zelfs om het geestelijke te kunnen begrijpen.

Die opvatting plaveit de weg voor nog meer gewelddadige confrontaties. Niet de lijn van het Evangelie, maar de lijn van de macht wint veelal. Daarvan zijn trouwens niet alleen moslims het slachtoffer; onder anderen Joden hebben het ook geweten.

Tegen die overheersende opvatting moet Lullius opboksen. De algemene benadering van de islam in zijn dagen is er een van antithese en controverse. Waar in het Oosten nog geluiden klonken van optimisme en zelfs bevrijding ten aanzien van de vreemde godsdient van Mohammed, zijn die in de middeleeuwen van het Westen nauwelijks te horen. Lullius, die een sterk afwijzende houding ten opzichte van de islam combineert met een bewogen manier van schrijven over de islamitische mens, is een uitzondering.

Datzelfde geldt voor het werk van de Franse abt Petrus Venerabilis, die in 1143 vanuit missionair motief een van de allereerste Koranvertalingen in het Latijn het licht doet zien. Venerabilis trekt in zijn theologische positiebepaling een lijn van Mohammed naar de antichrist. Het werk van Mohammed bestond er voornamelijk in om de komst van de antichrist voor te bereiden, denkt de abt van Cluny. In die hoedanigheid schetst hij de islam als „een pestilentie die bestreden” moet worden.

Deze visie van Mohammed als voorloper van de antichrist wint in de late middeleeuwen snel terrein, zeker wanneer vanaf de dertiende eeuw steeds meer theologen aanwijzingen vinden om de eigenlijke antichrist niet in het islamitische oosten, maar in Rome te zoeken. Vooral vanaf Luther zou die visie niet meer weg te denken zijn – maar dan zijn de middeleeuwen definitief voorbij en breken nieuwe tijden aan.

Uitspraken

„Bijna alle uitwerpselen van de oude ketterijen uitbrakend (die hij opdronk toen de duivel ze uitgoot), ontkent Mohammed de drie-eenheid met Sabellius, verwerpt hij de godheid van Christus met Nestorius en verloochent hij de dood van de Heere met Mani, hoewel hij Christus’ hemelvaart niet ontkent.”

Petrus Venerabilis (1092-1156), benedictijns theoloog en abt van de orde van Cluny.

„In ogenschouw genomen moet worden dat de spot waarmee moslims ons benaderen –alsof God een echtgenote zou hebben omdat wij stellen dat Christus de Zoon van God is– belachelijk is. Want omdat zij zelf mensen van het vlees zijn, kunnen zij slechts denken in termen van vlees en bloed.”

Thomas van Aquino (1225-1274), invloedrijkste middeleeuwse theoloog.

„De Moren zijn mensen die geloven dat Mohammed de profeet en boodschapper van God was (…) terwijl zijn religie als het ware een belediging van God is. (…) Het is een dwaas geloof waardoor de Moren denken gered te kunnen worden.”

Alfons de Wijze (1221-1284), koning van Castilië en Leon.

Bron(nen):   Reformatorisch Dagblad