Dit is La Rinconada: de hoogste stad ter wereld is een ‘hel op aarde’

In de Peruaanse Andes ligt de hoogste permanent bewoonde plaats ter wereld. Op een hoogte van 5100 meter, aan de voet van een enorme Andes-gletsjer, arriveren nog elke dag goudzoekers met de droom om die ene grote klapper te maken. Maar de stad is veranderd in 'een verstikkende ruïne'.

Het aantal inwoners is in de laatste twintig jaar van 10.000 naar 70.000 gestegen door de stijgende goudprijzen, maar de infrastructuur van de stad was hier niet op voorbereid. Er is geen stromend water of riolering, zelfs geen elektriciteitsnet. Vuilnis wordt op straat verbrand en de enige drinkwaterbronnen zijn de met kwik vervuilde meren. Ziekenhuizen en scholen zijn er niet; criminele bendes hebben de macht in handen.

Alles draait dus om goud. Mijnwerkers werken veelal voor de Corporacion Ananea, die er een alternatief loonsysteem op nahoudt: Als goudzoeker werk je 30 dagen zonder loon, om op de 31ste dag zoveel mogelijk erts mee te mogen sjouwen naar huis als je kunt dragen. Thuis moet je dan maar kijken of er wat goudkorreltjes tussen zitten. Als je pech hebt, heb je niks verdiend.

De ijle lucht, kou, water- en luchtvervuiling maken dat de levensverwachting in de ijzingwekkende bergstad blijft steken rond de 32 jaar, ongeveer de helft van het landelijke gemiddelde in Peru. Mensen krijgen last van infecties aan de luchtwegen, aantasting van het zenuwstelsel en kunnen vergeetachtig, misvormd of zelfs verlamd raken.

Verstikkende ruïne
De Peruaans-Amerikaanse schrijver Marie Arana verwoordt het mooi: "Wat ooit een regio was van kristallijne bergmeren en springende vissen, is uitgegroeid tot een Jeroen Bosch-achtige wereld die de verbeelding tart. De karige vegetatie is verdwenen. De aarde is omgeploegd. Wat je in plaats daarvan ziet, is een maanlandschap, doorspekt met roestroze meren die naar cyanide stinken. De watervogels die ooit overvloedig aanwezig waren in deze vallei van de Andes zijn verdwenen. Alleen is er af en toe nog een gier. De geur is overweldigend; het is de stank van het einde der dingen: van verbranding, van rot, van menselijke uitwerpselen. Zelfs de ijzige kou, de permafrost, de snijdende wind en de sneeuwvlagen kunnen de geur niet maskeren. Terwijl je omhoog rijdt naar de stad, zie je overal om je heen hopen afval; een verstikkende ruïne met spookachtige personen die er hun weg zoeken.”

Bron(nen):   NPO3