Sonja Barend vindt oud worden geweldig

Oud worden is geweldig, zegt Sonja Barend in NRC tegen Coen Verbraak. Ze legt uit waarom. „Dat je bijna alles in het leven beter begrijpt. Vroeger dacht ik: ik wil later niet zo’n oud verschrompeld mens worden. Nu ik dat eenmaal bén kan ik je zeggen: het valt reuze mee. Oud worden, ik kan het iedereen aanraden.”

Ze kijkt met verbijstering naar hoe oude mensen op televisie worden neergezet. „Alsof de ouderdom een schrikbeeld is. Je ziet nooit leuke oude mensen die naar hun leesclub gaan, die de kleinkinderen van school halen of op weg zijn naar het Stedelijk Museum. Ze zitten altijd in hun rolstoel bingo te spelen, in achterlijke kleren. Nooit een potje schaak. Het idéé dat ik later met een pluche beertje tegen mijn borst kinderliedjes zit te zingen. ‘En mevrouw Barend, lust u nog een glaasje limonade?’ Rot op!”

Het leven is goed voor haar geweest, benadrukt ze. Ondanks de treurige familiegeschiedenis van haar weggevoerde vader en haar vaak haperende gezondheid. „Daar verander je nu eenmaal weinig aan. Ik ben gewoon een haperende oude auto. Maar zolang ze m’n onderdelen kunnen vervangen kan ik lang mee. Ik heb echt een fantastisch leven. De treurnis van oud worden is alleen dat je weet dat het niet zo zal blijven. De toekomst is kort. Dat is geen fijne gedachte. Als wij hand in hand door het park lopen en elkaar wijzen op iets moois, weten we allebei precies waar we aan denken: op een dag loop ik hier alleen. Tegelijkertijd intensiveert dat het geluk. We weten dat we van elke minuut moeten genieten. Abels moeder is 91 geworden. Ze kwam vaak vanuit Israël bij ons op bezoek. Als we haar na een tijdje weer naar Schiphol brachten riep ze altijd: ‘jongens, als ik niet meer terugkom, weet dan dat ik een geweldig leven heb gehad.’ Voor mij geldt precies hetzelfde.”

Het interview is er vanwege een boek dat Barend heeft geschreven. Met grotere en kleinere observaties.

‘John de Mol schijnt een vermogen van drie miljard euro te hebben. Zelfs als hij honderd miljoen zou aanwenden om zijn personeel niet naar huis te sturen, zou hij het niet merken. Zou dat in die Gooise kringen tijdens een kopje koffie wel eens bij broer en zus zijn opgekomen?’

Bron(nen):   NRC