Hoe goed was Bibeb echt?

"Bibeb? Ik dacht dat het een redactiecode was. Zoiets als Colofon," schrijft een bezoeker hieronder. Niet waar. Bibeb was publiciteitsschuw, maar ze bestond echt.
Bibeb was de grootste interviewer ooit. Echt? Om het makkelijker te maken daarover te oordelen hier een ‘gemiddeld’ Bibeb-interview uit 1989.

BIBEB in gesprek met schrijver Henk Romijn Meijer 
‘Heb ik je al verteld, ‘ zei ze geschokt, ‘dat Herb toen we trouwden niet wist dat je al je aandacht aan een hond moest geven? Dat een hond recht heeft op de grootst mogelijke liefde?’
Uit het verhaal East Coker, gebundeld in Bang weer.

Naast elkaar op de bank. Bij mijn voeten en de zijne: Tarwe en Topsy.
Wat doe je als iemand ze afsnauwt? ‘Dan gaat die eruit. Het bezit van honden bevordert een goede selectie.’
Tarwe komt overeind, duwt haar roestkleurige behaarde hoofd tegen mijn hand.

‘Ik heb een nichtje dat bezeten is van reptielen. Ze heeft in een groot terrarium zes, zeven misschien wel acht, slangen. Sommige vrienden willen niet meer bij haar komen uit angst. Een heel oude angst.’
Wat zijn het voor slangen? ‘Een python, een boa constrictor en nog een paar waarvan ik de naam niet meer weet.’

Tarwe gaat liggen. Ik zeg dat ik me de angst voor een python kan voorstellen. En noteer dat hij een foto heeft, ‘daarop zie je me helemaal gewikkeld in een python van vier meter lengte.’
Een wonder dat je niet bent vermorzeld
. ‘Dat doen ze alléén als ze honger hebben of als je ze laat vallen.’ Licht berispend maar verlegen blozend.
Zat die python echt helemaal om je heen?
‘Behalve mijn linkerarm, daarmee hield ik de kop omhoog. De kop omlaag vindt een python niet leuk. Hij bestaat van kop tot staart uit een dikke spier. Als ze die spannen kun jij je je nog losmaken, maar je moet bij de staart beginnen, nooit bij de kop, dan knijpen ze je dood. Hun huid is van het allerprachtigste leer. Deze was verliefd, hoe noem je dat, loops. Dan is hun huid prachtig roze. Als mijn nichtje bij ons in de Dordogne logeert, pakt ze de slangen zo uit het gras. Grasslangen zijn weerloos, hun enige verdediging is hun snelheid.’ Heeft ze alleen slangen? ‘Nee hoor, acht poezen, een soort labrador en een bulterriër.’ Bulterriërs, eng, gevaarlijk. ‘Welnee.’ Zeer misprijzend. ‘Je denkt aan pitbulls, die hebben een ontzettend slechte pers, maar hun bazen zijn slecht. Die bazen moet je voor de leeuwen gooien. Je kunt iedereen vals maken, ook mij.’
Je bent niet vals?
‘Ik heb valse momenten. In mijn gedachten, ik onderneem niks.’

Ga zitten, ga staan, zitten. Je gezicht lijkt op een schellevis.’ Dat liet je de hoofdpersoon schreeuwen in Onder schoolkinderen. Net als jij gaf die hoofdpersoon op een school in Australië Franse les aan kleine meiden. Een van hen, Gail, laat hij nablijven. Hij vindt haar van een stuitende lelijkheid. Terwijl hij haar uitscheldt staart het kind deemoedig en verward naar het podium.
‘Ze maakte me razend. En razend worden is menselijk. Maar ik hield me niet aan mijn eigen strengheid omdat ik er zelf niet in geloofde en er geen waarde aan hechtte.’
Een collega noemt de meiden vuile, sluwe rotkrengen.
‘Dat was een waarschuwing. Je moet niet met een meisje in het klaslokaal achterblijven. Daar trok ik me geen fluit van aan, ik nam het risico, de ellende.’
Wat gebeurde er dan?
‘Je werd bij de directeur op het matje geroepen. Ik heb een keer the great Australian adjective gebruikt: bloody. Dat was een schande natuurlijk, terwijl iedereen dat woord voortdurend op de lippen had. Maar die ene keer dat ik het in de klas zei, repten de stomme kinderen zich op snelle beentjes naar de directeur. Terwijl ik nooit over hun klikte.’
Snel overeind, de kamer uit om thee te zetten. Tarwe en Topsy vrolijk bewegend achter hem aan. Ik bekijk de oude grammofoon en de werken van Herman Gordijn, Sal Meyer, Van Tongeren en anderen op alle wanden. De boeken in een lage lange kast. Omstuwd door Tarwe en Topsy komt hij terug, behoedzaam lopend, met beide handen een blad omklemmend waarop alles keurig is gerangschikt.
‘Ik heb je interview met Aat Verhoog gelezen,’ zegt hij. ‘Wat hij over verliefdheid zei heeft me verbaasd: "Ik ben gelukkig een aantal keren in mijn leven tomeloos verliefd geweest en ik zou het nog wel eens willen worden." Toen ik dat las dacht ik: ik niet. Zo’n grote verliefdheid, ik vind het iets voor pubers. Ik vind het een parodie maken van jezelf.’
Het overkomt jou niet meer?
‘Gelukkig niet. Ik zou helemaal vastlopen. Het gaat toch altijd anders dan je dacht. Enorme passie en dan knettert de boel uit elkaar. Gevolg: een hoop ellende. Je vroeg terecht, het overkomt je niet meer. Ik bedoel, je kan niet spreken van een keuze. Op het moment dat je denkt dat je kiest is het al gebeurd. Wat een keuze wordt genoemd is rationaliseren achteraf.
Ik vind verliefdheid niet stimuleren. Je gaat zoveel eisen stellen, je wordt zo bezitterig. Ik houd liever een beetje afstand. Wil niet te dicht benaderd worden. Een schilder – ja kijk, schilderen is zintuiglijk, een schrijver moet rust hebben in zijn hoofd.’
Waarom noemde je je nieuwe, boek De Amerikaantjes?
‘Dat leek me leuk.’ Merkbaar opgelucht. ‘ ‘t Is een soort echo van de Titaantjes.’
Jullie waren met de Amerikaantjes bevriend, Nancy (zangeres en echtgenote van Tony, schatrijke eigenaar van een platenmaatschappij) noemde jullie vriendschap een liefde op het eerste gezicht. Een soort verliefdheid. Dat verbaasde mij, ik vind die Nancy en Tony erg vervelend.
‘Vervelend is een woord dat me niets zegt in zo’n geval. Natuurlijk zijn ze verschrikkelijk, maar het verhaal gaat over de teloorgang van een vriendschap. Dat kun je vergelijken met het uit elkaar vallen van een huwelijk. Het is triest en ontnuchterend te ontdekken dat mensen zoveel minder sympathiek zijn dan je dacht. De verwijdering kan allerlei oorzaken hebben zoals gebrek aan respect en begrip van wie en wat je bent. Bedreiging van je privacy. Ik heb met die geschiedenis heel lang rondgelopen voor ik deze vorm vond, de niet-chronologische vorm.’
Nancy en Tony kwamen vlak naast jullie wonen in Frankrijk. Hij doet jullie in alles na, is walgelijk gierig, gelijkhebberig, een schreeuwer. Toch krijgen jullie nooit echt ruzie.
‘Echt ruzie maken ligt niet in mijn aard.’
Toen Tony begon te roepen waarom iemand in zijn provisiekast een geheimzinnige blauwe glazen fles had gezet en jullie opperden dat er zoutzuur in zat, dacht ik, dat loopt mis, maar helaas, niks.
‘Ik vind het heel goed dat er een verwachting gewekt werd waaraan niet wordt voldaan. Als dat wel zo was, zou dat heel goedkoop zijn. Ik heb geschreven wat er gebeurde.’

Vergissen

Je noemde de reden waarom je het verhaal zo uitvoerig vertelt: ‘Opdat het als voorbeeld kan dienen, misschien een voorbeeld van hoe het in het leven verloopt. ‘En hoe je je kunt vergissen?
Strak. Van me afgewend. ‘Ik ben altijd heel erg onder de indruk geweest van onze Franse vrienden. Ze hebben een kleine boerderij, en als ze bij ons in Amsterdam logeren gedragen ze zich in het ‘voor hen toch ongewone gezelschap met een natuurlijk gemak. De Amerikaantjes werken als een virus in een systeem waarin ze niet thuishoren. Zoals ze zich gedragen is een voorbeeld van iets typisch Amerikaans.’
Je verklaart jullie vergissing met "Wie kan de verleiding weerstaan om aard en karakter af te leiden van het talent’. Nu begint hij snel te praten over Tony, ‘eigenlijk een geniale man, bouwde clavecimbels en schitterende microfoons, wist veel, schreef over muziekinstrumenten. Nancy had een prachtige stem, geen groot volume maar uniek parelend. Maar toen ze niet meer zong en hij met z’n platenmaatschappij stopte, werden de eigenschappen die voor zijn werk nuttig waren geweest storend. Alles moest worden geregistreerd, heel dwangmatig en hij dupeerde Nancy. Belette dat ze een plaats kreeg in een meestercursus die geleid zou worden door de hoogste autoriteit van de wereld op het gebied van mimiek en gebaren bij de uitvoering van gezongen barokmuziek.’
Een rare tiran en zij is een zotte slavin.
‘Niet zelden blijken succesrijke managers na hun pensioen onmogelijke tirannen,’ zegt hij. ‘Bovendien, als je zoals Tony almaar energie uitstraalt werkt dat verlammend.’
Wanneer begon de verkoeling?
Mompelt over de kleine dingen waarvan je aanvankelijk de gevolgen onderschat. De broodrooster die Tony meenam om te repareren en nooit teruggaf, het stuk triplex dat hij pikte, de fles whisky die hij stiekem mee naar huis nam. Zijn angst om als rijke man te worden ontmaskerd of zelfs maar erkend.’
Geen ruzie, maar wat dan?
Ik word heel koel, laat een soort onverschilligheid overkomen. Daar ben ik goed in. Ik ben nooit voor iets uitpraten.’
Je vriendschap met Joke Smit verkoelde ook. Dat blijkt uit wat je over haar schreef (Een krans rozen en een zakdoek. Verhalen.)
‘Maar Joke heeft die verkoeling nooit in de gaten gehad.’
Hoe is de teloorgang begonnen?
‘Een belangrijk moment was… ik had mijn roman Lieve zuster Ursula gestuurd met als gewoonlijk een uitvoerige opdracht. Ze heeft nooit wat laten horen. Veel later zei ze tegen Molly dat ze het een heel goed boek vond. Dat vind ik bizar.’
Maar daaraan ging toch wel iets vooraf?
‘Nou kijk, Joke was acht jaar lang een modellerares Frans. Ze droeg lange rokken en een brilletje, ze was preuts, ordentelijk, wat pinnig misschien, maar toch best aardig. Opeens moest het brilletje vervangen worden door contactlenzen, de lange rok door een mini.’
Waarom ben je daar zo tegen? In een verhaal van je las ik dat meisjes zich in een minirok moedwillig lelijk maken.
Koppig zegt hij: ‘Je moet zo’n rok natuurlijk wel brengen. Je moet een soepele gang hebben. Maar het gaat mij vooral om de plotselinge verandering. Stel dat ik me ineens ging kleden als Aat Verhoog, in driedelig pak met hoed!
Maar goed, die minirok. Joke deed dat niet alleen. Iedereen deed het want het was mode, maar mode is zo vervelend. En toen werd ze lid van de Amsterdamse gemeenteraad. Opeens bezigde preutse Joke schuttingwoorden.Ik heb een afkeer van schuttingwoorden. Ze wist dat ze daar geen zak zou bereiken, maar goed, als je je erin begeeft moet je niet zeuren dat je gepest wordt. Als je gepest wordt, is het je eigen schuld. Die vieze moppen maken die mannen uit meligheid, ze zijn niet tegen iemand gericht. Toen haar beroemde stuk in 1967 in De Gids verscheen, heb ik tegen iemand gezegd: heel goed, maar het zou niets van zijn waarde verliezen als je vrouw door man zou vervangen. Hoeveel mannen zouden niet veel liever thuis over de grond rollen en peutergeluiden uitstoten dan aan een ratelende machine zitten? Dat mocht ik niet zeggen van Joke. Overdrijven is m’n lust en m’n leven, maar zo is het toch. Tachtig procent van al het werk is stomvervelend.’
Langzaam, minder fel praat hij over Jokes vader die een vermaard drankbestrijder was. ‘De behoefte zich in te zetten voor een specifiek, tamelijk beperkt doel is dus terug te brengen tot haar familie.’
Tamelijk beperkt doel?
‘Ik vind dat feministes wat een aantal dingen betreft wel degelijk gelijk hebben. Laatst zei iemand van de Amro Bank toen hij Molly aan de telefoon kreeg dat hij met mij wou praten. Terwijl Molly veel zakelijker is. Als één zo’n vent dat zegt, zit er een wereld achter. Maar je mocht van Joke geen enkele grap maken. Ik ben naar aanleiding van het stuk dat ik schreef aangevallen door feministes, per telefoon en brief.
Als je iemand gaat vereren, op een voetstuk plaatst, ontken je als het ware dat zo iemand echt heeft bestaan. In Frankrijk, waar we een huisje hebben, ken ik een meisje, dochter van kleine boeren.’ Vertelt met warmte over het huiswerk voor het gymnasium-b dat ze maakte in de kleine keuken. En over haar studie techniek, na het eindexamen. ‘Ze was zo goed, had meteen een baan, werd de baas van een equipe van negen mannen. Ze heeft over die mannen nooit met één woord geklaagd. Weet je wat ze zei toen ze begon? "Ik ben een heel gewoon meisje uit een dorp, dochter van een boer, ik hoop dat we goed zullen samenwerken." Een man, die veel ouder was dan zij, heeft geweigerd en is overgeplaatst. Voor dat meisje heb ik enorme bewondering. Dan denk ik, als zo’n boerenmeisje dit kan, waarom kon Joke het dan niet? Ze stopte op het toppunt van haar loopbaan, niemand zat haar dwars. Het vrouwelijk onbehagen was haar gids. Een kwaadaardige gids.’
Nu noem ik het slot van zijn stuk: de ontmoeting ha lange tijd van verkoeling op een concert. ‘Hoewel ze geen oor voor muziek had, maar het was een luitconcert en de luit was in de mode. We namen afscheid met vage beloften. Ik weet niet of ze toen al leed aan haar ziekte, voor mij was ze zoals ze altijd was geweest: gehaast, onpersoonlijk, een beetje blind.’ Ik zeg dat hij zijn verkoeling veel grimmiger uitte dan in De Amerikaantjes.
‘Ik werd opgebeld door iemand die tot mijn verbazing De Amerikaantjes erg mild vond.’Glimlacht raadselachtig. ‘Maar een ander noemde het wreed.’
Een van je mooiste verhalen vind ik Denken aan hoge ramen.
‘Ik wil datje De Amerikaantjes ook goed vindt.’ Koppig. Lachend. ‘De Amerikaantjes toont mijn satirische kant’
Het slot van Denken aan hoge ramen is prachtig.
Hij veert rechtop. ‘Er is me wel ‘s gezegd door mensen uit het publiek als ik een lezing had gehouden, dat het verhaal had moeten eindigen bij de zelfmoord van Marita. Ik vind mijn slot veel beter. Hij rijdt op de fiets weg met al die boeken die te zwaar zijn. Pas als Marita’s vader uit het zicht is, stapt hij af. Dat heeft een betekenis. Hij heeft de boeken gekregen die hij Marita liet lezen en nu is hij ermee belast. De boeken wogen als lood.
Mensen willen vaak dat een verhaal bij een hoogtepunt van het drama eindigt. Maar een blueszanger laat aan het eind soms na mineur zijn stem overgaan tot majeur alsof hij wil zeggen, het leven gaat toch door. Bij flamencomuziek krijg je ook zoiets.’

Niet in de gaten

De vader van Marita is over de tachtig maar bruist van energie en ambitie. Zo’n soort man is een bekende figuur in je verhalen.
‘Een energieke vader. Energieke vaders stellen vaak hoge eisen aan hun kinderen. Dit verhaal is evenals al m’n andere werk gebaseerd op een reële gebeurtenis. Het tweelingzusje van Marita werd arts en later specialiste. Marita strandde in een depressie. De rivaliteit tussen die twee. De vader had na de dood van z’n dochter nog niet in de gaten wat hij had aangericht. Ik heb nog met de therapeut van Marita gecorrespondeerd. Ze mocht van hem geen gedichten en verhalen schrijven. Ze dreigde volgens hem overgeleverd te worden aan de prikkels die het schrijven bij haar opriep. Toen ze niet meer mocht schrijven werd die inrichting voor haar helemaal een hel. Ze kreeg injecties en medicijnen tegen haar depressies.’
Na een stilte zegt hij: ‘Eigenlijk is er maar één schrijver die in woorden heeft uitgedrukt waarvoor eigenlijk geen woorden zijn. Malamuds Dubins Lives getuigt van een diep begrip van wat depressief zijn betekent. Molly en ik waren met Bern Malamud en zijn vrouw bevriend.’
Je schreef een prachtig stuk na zijn dood in 1986 (gebundeld in Een krans rozen en een zakdoek). Daarin herinnerde je aan je interview met hem.
‘Ja, hij vroeg me toen in het diepst vertrouwen uit over The Ghostwriter van Philip Roth. "Wie denk je", zei hij, "dat ze voor de hoofdpersoon houden?" Ik zei: "Dat ben jij toch, niet soms?" Want dat hij het was wist ik toen al. Hij zei: " ‘t Doet er niet toe – het is een oppervlakkig boekje," Maar volgens mij is het Roths beste roman. Die bovendien getuigt van Roths grote bewondering voor Malamud.’
Toen ik Roth interviewde, noemde ik de opvallende overeenkomst in bepaalde gedeelten van Dubins Lives en The Ghostwriter. Roth reageerde geïrriteerd.
‘Beide romans spelen in dezelfde streek, namelijk waar Malamud toen woonde, in Bennington, Vermont. Roth heeft daar rondgescharreld en goed gekeken. Hij is bij Malamud geweest, heeft er gegeten. De scènes aan tafel tussen Malamud en zijn vrouw hebben Molly en ik ook meegemaakt. Roth heeft ze gebruikt in het verzonnen verhaal van The Ghostwriter.
Hoe vond je wat Roth zei in The Observer over Salman Rushdie over Rushdies bespreking van zijn roman The Facts? Die uitnodiging aan het slot om zodra dit mogelijk is met hem te dineren in een vier-sterrenrestaurant?
‘Ontzettend Amerikaans,’ zegt hij. Trekt de bovenlip op. ‘Vulgair.’
Je stuurde me een fotokopie van een verhaal dat, schreef je, veel voor je betekent. Je noemde het Esther, een oorlogsverhaal, maar het gaat in hoofdzaak over Esther.
‘Ze was voor 1940 en ook een paar jaar in de oorlog dienstmeisje bij ons thuis. Na de bevrijding wilde ze gratis werken als m’n vader haar Engelse les zou geven. Ze was verliefd op een Engelse militair. Ze zijn getrouwd en een dag na het huwelijk verongelukte hij ‘s nachts met zijn vrachtwagen. Drakerig sentimenteel. Volgens Gerard Reve moet je dat afzwakken, maar ik vond het een uitdaging. Ik vind het ridicuul dat je de werkelijkheid niet zou kunnen en mogen vertellen. Ik heb er heel lang mee rondgelopen en opeens had ik de vorm. Een overwinning!’
Er ontstond door de lessen die je vader haar gaf een geheimzinnig soort verstandhouding tussen hem en Esther.
‘Ja, er was sprake van een heel preutse erotiek. Ze had een natuurlijke waardigheid, hij prees haar hoogstaand karakter en innerlijke beschaving. Hij flirtte ook wel een beetje met leerlingen, allemaal in het nette natuurlijk.’
Uit je verhalen blijkt dat erotiek voor hem verboden terrein was.
‘Hij was ontzettend puriteins, zeer dominerend, streng, gesloten. Directeur van de kweekschool in Zwolle, gaf Nederlands. "Hij bracht de leerlingen liefde voor het vak bij. "’ Harde lach. ‘Dat was wat er altijd over hem werd gezegd. Ik zou boeken over mijn jeugd kunnen schrijven, maar ik doe het niet omdat het door Vestdijk al zo goed is gedaan.
Mijn gehannes met een vriendinnetje lijkt ontzettend op Terug tot Ina Damman. Ik mocht van m’n vader niet met meisjes omgaan, we ontmoetten elkaar in het zwembad in Hattem. Het was van een onschuld die niet meer bestaat, beetje kletsen, samen bramen plukken, naast elkaar fietsen, een hand bij het afscheid. En dan thuis de harde stem op de overloop: "Waarom ben je zo laat?" Smoes verzinnen, lekke band, dat kon toen, de banden waren slecht. We schreven elkaar. Ook dat mocht niet. Het is uit geraakt, door mijn schuld. Er kwam een ander meisje tussen. Ik denk dat die meer seks aandroeg. Later heb ik geprobeerd het weer met mijn eerste liefde goed te maken. Dat lukte niet. In Resten aan jou staan gedichten die ik toen voor haar schreef. Een ervan begint zo: Links is de la vol van jouw brieven, ik lees ze tienmaal in het zonlicht, ik lees ze tienmaal als de avond valt.
Mijn moeder was neurotisch afhankelijk, ze zat onder de plak bij mijn vader maar ze had die plak wel nodig, ze was stuurloos. Projecteerde haar angsten op mij. Als m’n vriendjes kwamen met wie ik muziek ging maken overstelpte ze me met waarschuwingen. O de schaamte. Dan bedenk je hoe je terug kan pesten. Ik was jaloers op de moeders van m’n vriendjes die niet achter hun kinderen aanliepen. Ik was ontzettend moeilijk ook voor mezelf.
Kinderen hebben… Ik schreef erover in een nieuw verhaal.’

Geen kinderen

Geeft me de drukproeven. Het begin met de ik die gezegd heeft tegen bedroefde Sylvia die na een operatie zei: ‘Nou kan ik geen kinderen meer krijgen’: ‘Mooi zo, je hebt toch nooit naar kinderen verlangd.’ Dit leidt tot boeiend geschreven gedachten en herinneringen. Gefascineerd lees ik een fragment: ‘In de loop van de ‘jaren zijn we steeds meer gaan houden van het gezin waaruit we ons telkens opnieuw ongemerkt kunnen terugtrekken. Hoe vaak heb ik het niet bedacht, één knip van mijn vingers en ze scharen zich om de "tafel, ze vertellen mij hun wildste verhalen, gerijpt zoals de tijd ze gerijpt heeft. Ze hebben hun trauma’s overgeslagen, hun geboorten, hun ziekten, hun moeilijke jeugd.
Je suis rien, schrijft Pessoa, je porte en moi tous les rêves du monde. Het is goed om zo samen te zijn.
De zon staat wat lager, het werk in het dorp is weer begonnen. Ik heb mijn nakomertjes nagewuifd. Waarom krijg ik het benauwd alleen al bij de gedachte aan het grote gezin dat mijn vader zich had gewenst (dat heeft hij zich in een onbewaakt ogenblik laten ontvallen).
Waarom hebben jullie het eigenlijk niet gedaan, vroeg een vriendin. En liever dan een antwoord te bedenken, herinner ik mij een gedicht dat Growing children heet, geschreven voor jou, Sylvia. De laatste regels van het gedicht zijn: "One day they corner you and stab you with an ice pick and as your life ebbs away, you watch your blood stain your carpet."’
Het verhaal heet Het verzonnen kind.
‘Hoe vind je het?’ Gespannen, blozend tot in z’n ogen.
Aangrijpend.
‘Ik ken een psychiater,’ glimlacht hij me toe, ‘die vindt dat je er beter van kunt uitgaan dat het allemaal misloopt, dan valt het misschien mee. De meeste ouders zijn te idealistisch. Mijn vader was de grote verbieder. Als ik bij mijn moeder op hem zat te schelden omdat ik weer niet naar een schoolavond mocht zei ze: "Ja, en vroeger zette hij de boel op stelten."
Ze bedoelde waarschijnlijk: vroeger was hij vrolijk. Maar als je hem echt nodig had was hij aanwezig, hij had ook het lef onaangepaste dingen te doen. Hij was christelijk-historisch, maar na de oorlog hoorde hij bij de eerste mannen van de doorbraak.’ Harde lach. ‘Al die bespottelijke termen! Hij was een arbeidersjongen, had een heel harde jeugd. Toen ik ging trouwen schreef hij: "Je vrouw heeft recht op een gezonde man." Een brief vol vermaningen, gezond leven, gezond denken enzovoort.
In de tweede klas van de middelbare school hoefde ik niet met gymnastiek mee te doen vanwege m’n migraine. Het duurde soms weken. Je raakt er nooit helemaal af, maar het is wel wat minder geworden. Je probeert toch te werken, maar ‘t is moeilijk, soms maak je rare fouten.’
In East Coker, prachtig verhaal, zegt iemand die je aanduidt met hij: ‘Hij, een ideale man, een groot intellect, intellectueel, ster aan de hemel? Hij met zijn krampen en angsten, de ramp die hij hoorde in elke piepende rem, krijsende stemmen die hem het bed uitjoegen, zijn siddering in de ochtend die langzaam bij moest trekken, de glorie van zijn triestheid bij de gedachte aan zoiets onbestemds. Kan een mens zich iets treurigers indenken. De pluimen die hij zich gaf als de geest vaardig over hem werd, een stuitende echo van grootspraaktalent.
‘Ik ken wel angsten,’ zegt hij. De ogen dicht. ‘Als ik denk aan de aftakeling van mijn vader: Ik kijk wél naar fysiek verval, ik kijk goed omdat het me fascineert. Ik ben bang voor; lichamelijk geweld, maar ik kijk naar bokswedstrijden. En naar thrillers op televisie waarin veel geschotenwordt’ Ik noem zijn gedicht Het zwemfeest. Over de ontzettende schrik toen zijn vader hem met flitslicht fotografeerde.
‘Ik ben altijd bang geweest. Een kamer waarin mensen zijn die me niet kennen, ontmoeting met studenten. Heel langzaam ben ik flinker geworden maar de angst is niet overwonnen.
In Amerika speelde ik een jazz-session met negers. In jazz moet je je echt presenteren. Dat kon ik niet, een van de musici zei: ‘You’re always so shy.’ Je moest je laten gelden. De enkele keer dat ik dat wel deed was het niet de bedoeling.
Ik geloof dat het aan mijn schrijven te danken is dat de angst langzaam wat overgaat.
Herman Gordijn schildert het verval op een manier dat de angst ervoor wordt overwonnen. Herman geeft het verval vitaliteit, humor. Kijk dit’ (op omslag van een van zijn boeken, een foto van Gordijns schilderij In het zonnetje. Een gedeformeerde vrouw in een rolstoel. Feeststrik in het haar, zwarte kousen met jarretels, naaldhakken. Haar gulle gretige mond.)
‘Ik houd veel van zijn werk. We hebben elkaar destijds ontmoet op Drakensteyn, uitgenodigd door Beatrix en Claus. Herinner je je zijn schilderij Maison Krul, die vrouw voor de schotel vol taartjes. Molly en ik wilden het jaren geleden kopen maar het kostte drieduizend gulden, dat was toen erg veel. Het is een van de weinige dingen in m’n leven waar ik spijt van heb.’

Handen en voeten

Zijn vriendje pikte een stukje kauwgom van een cent.
‘Ik besefte het pas later. Om zoiets te begrijpen moest ik alleen zijn, anders waren mijn gedachten te verwarrend.’
In het donker van zijn kamer zag hij Joke op handen en voeten naar de kiosk sluipen. Hij graaide een handvol kauwgom weg. De man achter de toonbank hief een dierlijk gebrul aan maar kon zich niet bewegen.
‘Ik bewaarde over het gebeuren het diepste stilzwijgen, voornamelijk omdat ik alle voor anderen onzichtbare ervaringen in mij verborg omdat ik wist dat niemand ze ooit zou begrijpen en uit angst dat iemand mij zou kwetsen.
‘Jarenlang,’ zegt hij grimmig ‘werd zo’n verhaal pathetisch gevonden.’

‘Lord wanhoop’

Zijn Duivelsoorkussen. Over onverdraaglijke pijn na een ongeluk met zijn motor. De spottende professor en luid lachende studenten bij z’n bed.’ "Scooters en motorfietsen blijven onze beste leveranciers," sprak de professor. "Stuur je vrouw maar eens naar me toe dan zal ik haar zeggen dat ze een man heeft getrouwd waar geen draad fut in zit," zei de arts. "Lord wanhoop, " hoonde een nijdige verpleegster.’ Jaren geleden gebeurd in het Binnengasthuis. ‘Maar een vriend die arts is heeft dat verhaal voorgelezen aan verpleegkundigen. Hij zei: "Wat hier staat is de waarheid." De waanzin van troost als: "U moet maar denken: het had erger kunnen zijn."
De oude meneer Bloem, die toen tegenover me lag op die zaal met mannen van wie men wist dat ze nauwelijks iets konden betalen, was de dichter Jacques Bloem. "Zuster zoudt u mij willen omwentelen," vroeg hij met intens beschaafde stem. "Kunt u dat zelf niet," snauwde de zuster. "Nee," zei de dichter, "beslist niet."
Ik ben er trots op dat uit mijn Duivelsoorkussen onlangs geciteerd werd op een medische conferentie over pijn.’
Zijn liefde voor muziek, klassiek en jazz. ‘Als iemand me zou vragen wie is belangrijk geweest in je leven dan zou ik zeggen Duke Ellington of Django Reinhardt. Bij Philip Larkin las ik: jazz is iets dat me de mooiste momenten in mijn leven heeft bezorgd. Dat geldt voor mij ook. De herinnering aan mijn kennismaking met de jazz is zeker zo sterk als die aan mijn eerste liefde.’
Jarenlang speelde hij hartstochtelijk viool. Tot daar een eind aan kwam door de pijn in zijn arm. Maar óók door de diepe teleurstelling beschreven in de roman Kwartet.
‘Ik was de tweede violist, de eerste violist, het meisje en de cellist waren verwikkeld in liefdesconflicten. De eerste violist wilde niet meer spelen. Het kwartet viel uit elkaar. Het afschuwelijke was dat ze mij met opzet niets hadden verteld. Het heeft me erg aangegrepen: Meestal houd ik wel vol maar toen niet: ik heb nooit meer viool gespeeld: Ik werd gitarist. Ik heb nooit echt behoord bij het literaire leven en dat laten ze je wel weten. Onder andere door niet genoemd te worden. Daarbij had ik altijd een baan. Ik geloof niet dat ik alleen maar zou willen schrijven, dat is mij te beperkt. Mensen zijn ontzettend jaloers op elkaar. Op de universiteit was op een gegeven moment een enorme machtsstrijd tussen docenten en administratief personeel, daar heb ik me altijd buiten gehouden.’
Literatuurwetenschap: ‘Je moet inzicht geven in wat de schrijver bedoelt. Maar objectiviteit bestaat niet. Freeman Dyson, atoomgeleerde, Nobelprijswinnaar, heeft gewezen op het belang van het intuïtieve, het subjectieve van de waarneming. Waarom nemen ze daar geen voorbeeld aan in de literatuur?
Contact met studenten ben ik een beetje kwijt. Vroeger had ik groepen twee jaar, maar door het verrotte Amerikaanse systeem dat hier zes jaar geleden is ingesteld heb ik ze nu maar dertien weken. In de praktijk is dat onmenselijk.’
Topsy en Tarwe springen blaffend tegen de glazen deuren die toegang geven tot de grote tuin waar duiven zijn neergestreken. Even later stormen ze naar buiten.
‘We hebben een paar keer een nest met jonge honden gehad,’ zegt hij en begint vertederd te vertellen over de zorgzaamheid van de moederhond.
Op een keer, het was in Frankrijk, had ik een kist getimmerd waarvan ik de wanden steeds een beetje hoger moest maken, omdat ze er anders uitsprongen. Midden in de nacht hoorde ik de moederhond ontzettend krijsen. Ik sprong uit bed, rende naar beneden. Een jong zat met zijn nek tussen de twee Wanden van de kist gekneld. De moeder gilde op een toon die ik nog nooit. van haar gehoord had. Het was een verdragend gegil. Terwijl ze vlak naast haar bedreigde jong bleef zitten. Ook dieren hebben mogelijkheden waarvan je niets af weet, net als mensen. Je denkt datje iemand kent, dan gebeurt er iets onverwachts en je leert een totaal onvermoede kant kennen.’
Heb je wel ‘s gedacht, ik hoop iets heel ergs mee te maken om te weten hoe dat is, om er beter over te kunnen schrijven?
Hij gaat zwijgend naar de tuindeuren, laat Tarwe en Topsy binnen.
‘De honden die we vóór deze hadden, ‘ zegt hij, ‘zijn allebei overreden. We hadden er toen drie, een ervan was jarig en Molly ging bij wijze van verjaarscadeau een geweldige wandeling met ze maken. De jongste twee waren ontzaglijke concurrenten, ze renden achter een haas aan en werden gegrepen door een vrachtauto. De moederhond bleef gespaard omdat ze een beetje lui was, ze liep niet zo hard. Ze kreeg een trauma, is bijna helemaal verlamd geweest, het heeft langer dan een jaar geduurd. We moesten haar naar buiten dragen. Toen zijn we naar Amerika gegaan en daar was het helemaal over. Terug in Amsterdam begon ze weer te hinken. Ik kwam ‘s binnen, ze zat voor de spiegel, keek naar zichzelf. Ze huilde.
De inboedel van m’n ouderlijk huis was opgeslagen in een container. Toen mijn moeder gestorven was ging ik erheen, de container stond in een grauwe loods. Het regende, regende. Wat jarenlang dienst had gedaan, had alle betekenis verloren. De opkoper bood honderd gulden, maakte er later honderdvijftig van. Veel te weinig. Haar naaitafeltje en de boekenkast van mijn vader heb ik gehouden en ook haar theetafel waarin de glazen schaaltjes met snoepjes stonden die ik jatte. Ik kon het deurtje geluidloos openen. Je moest wel zo jatten dat het niet opviel. Mijn moeder zei toen ik de laatste keer bij haar was: ‘Waarom plagen ze me zo?’ Je vroeg of ik wel ‘s dacht: ik wil iets heel ergs beleven. Dat heb ik wel ‘s gedacht, ja. Maar de dood van mijn vader en moeder en onze twee honden is wel genoeg.’

Bron(nen):   Henkromein.nl