Zieke bedrijven moeten dood

Studebaker, Packard en Nash waren ooit bekende namen in de Amerikaanse auto-industrie. Maar op enig moment gingen de bedrijven dicht, omdat ze auto’s maakten die niemand nog wilde.
Met General Motors gaat dat anders. Het merk ligt in coma en de overheid steekt er geld in (30 miljard dollar) om het leven nog wat te rekken. Eerder gebeurde dat al met banken als Citigroup en IAG – blijkbaar is dit de nieuwe Amerikaanse politiek.
In The Wall Street Journal wordt hier door Daniel Henninger fel tegen gefulmineerd. Amerika is altijd sterk geweest in innovatie en expansie, zo beweert hij. In natuurlijke omstandigheden (wie iets goeds maakt, wordt beloond – wie iets slechts maakt, niet) komt die eigenschap het best tot z’n recht. Washington is bezig deze eigenschap te killen.
De hoeveelheid geld die president Obama nu al in noodlijdende bedrijven heeft gestoken, is nooit eerder vertoond. Auto’s, banken, klimaat, gezondheidszorg – de vele miljarden stromen alle kanten op. Innovatie betekent bij Obama blijkbaar: een grote publieke sector.
Het is interessant om eens te kijken waar Obama en zijn naaste staf precies vandaan komen. Uit de politiek, van de overheid en de universiteit, zegt Henninger. Hij pluist de cv’s erop na en zijn conclusie is: deze mensen hebben geen verstand van ondernemen; ze kennen de markt niet.
In de Amerikaanse politiek wordt gesproken van een ‘bad behaviour‘-belasting, bedoeld voor dikzakken die te weinig bewegen. Mischien geen slecht idee. Maar volgens The Wall Street Journal begint Uncle Sam zelf een dikke luie vent te worden.

Bron(nen):   The Wall Street Journal