Obama en de dictators

In zijn inaugurele rede richtte president Obama op enig moment het woord tot zijn minder democratische collega’s in verre landen en zei: "We will extend a hand, if you are willing to unclench your fist."
Daniel Henninger, commentator van The Wall Street Journal, vraagt zich vandaag af hoeveel van die obscure landen je met 1 hand kunt vasthouden. Hij gaat eens even tellen.
Eerst krijg je Iran. De hele wereld maakt zich zorgen om de nucleaire ambities van dat land, alleen al aan Iran heeft Obama zijn handen vol. Dan maakte het State Department dezer dagen bekend ‘in dialoog’ te zijn met de junta van Birma. Ook is een speciale gezant naar Soedan gestuurd voor gesprekken met de moordlustige Omar Hassan al-Bashir; bovendien is ‘flipflopper’ John Kerry onderweg.
Obama zelf heeft dan weer tijd voor meer dialoog met Hugo Chavez van Venezuela, met Daniel Ortega van Nicaragua, met Evo – zelfgebreide trui – Morales van Bolivia en niet te vergeten, met de familie-Castro van Cuba.
Opvallend, zegt Henninger, hoeveel tijd Obama vrijmaakt voor dit soort heren, en hoe hij in al deze landen de oppositionele krachten compleet negeert – zelfs de krachtige tegenstanders van het Iran-bewind ontvangen vanuit het Witte Huis geen enkele opsteker. 
Inzake Afrika gaat dat niet anders. Bij een recente opstand in Guinee-Bissau werden tientallen mensen vermoord door de nietsontziende machthebbers, maar vanuit het Witte Huis kwam niet 1 bemoedigend woord voor degenen die daar ijveren voor meer democratie.
Overal ter wereld waar mensen onder de knoet leven, hebben ze kennis kunnen nemen van Obama’s briljante speeches om op te komen voor de weerlozen en de zwakken – alleen voor hen geldt dat niet. 
Het zou de huidige Amerikaanse regering sieren als ze zich actief inzette voor meer democratie in landen waar nu vaak een psychopaat aan het bewind is, die politieke vernieuwing tegenhoudt en die zich verzet tegen normale handelsbetrekkingen met het buitenland. En die zo zijn bevolking arm en gevangen houdt.
 

.

Bron(nen):   The Wall Street Journal