Bush, Obama en de intellectuelen

Amerikaanse intellectuelen lopen weg met Barack Obama en dat gaan ongeveer net zo ver als hun afkeer van de vorige president, van George W. Bush. In National Affairs, een bezonken tijdschrift dat hier bijna nooit wordt aanghaald, staat een lang opstel over deze kwestie.
Wat Obama overkwam is maar voor weinig Amerkaanse presidenten weggegelegd. Misschien sprak de bekende New York Times-columnist N. Kristof namens veel collega’s toen hij in 2008 Obama ophemelde en schreef dat de (toen) toekomstige president een ‘practicing intellectual’ was, een soortgenoot zeg maar en dat is blijkbaar een hoge onderscheiding.
De tijden dat intellectuelen ver weg van de samenleving hun studieuze arbeid verrichtten is voorbij. Ze zijn als veel anderen op zoek naar het grote publiek en spelen een prominente rol in de massamedia, of ze nou academicus of schrijver of criticus zijn. Het zijn de opinieleiders van de moderne tijd en een politicus doet er dus verstandig aan om op goede voet met ze te staan.
John F. Kennedy begreep goed dat de glamour en de mystiek van intellectuelen het Witte Huis meer glans konden geven en wist de nodige ‘brain power’ aan zijn campagne in 1959 toe te voegen. Eenmaal aan de macht, had hij zelfs een ‘in-house intellectual’ benoemd in de persoon van de historicus Arthur Schlesinger.
Eigenlijk is Obama na Kennedy de eerste president die weer een dergelijk rapport heeft met intellectuelen. Presidenten als Johnson en Carter en Reagan hadden een zo weinig stadse uitstraling, daar was gewoon geen beginnen aan. Voor Clinton en de beide Bushen gold hetzelfde. Zeker, Bush junior had wel de goede papieren (Yale, Harvard) maar de gedachtenwereld van de liberale intellectueel stond zo ver van hem af, dat het nooit een mooie verhouding werd.
Obama pakt dat allemaal veel voortvarender aan. In zijn aanloop naar het presidentschap plande hij veel ontmoetingen met opinieleiders en daar krijgt hij natuurlijk iets voor terug, op z’n minst veel begrip en wie weet wat nog meer. 
Ook in Nederland heb je voorbeelden van vooraanstaande leiders en politici (koningin Beatrix, Hans van Mierlo, Ed van Thijn, Frits Bolkestein, Job Cohen) die altijd veel investeerden in hun verhouding met de spraakmakende elite en dat heeft in alle gevallen geloond. 
De beste in dit lijmen was voormalig president Mitterrand. Hij had een speciale afgezant (Jacques Lang, de latere minister van Cultuur) die er een geweldig project van maakte om belangrijke kunstenaars en intellectuelen achter Mitterrand te krijgen. Veel aandacht, kadoos, diners, feesten, partijen en waar mogelijk subsidie; het kon niet op en in 1981 won Mitterrand de Franse presidentsverkiezingen. 
Wat eigenlijk niet kon, een socialist werd president, gebeurde toch. Want wie de intellectuelen achter zich weet te scharen, die heeft een flinke voorsprong.
Als we het essay in National Affairs goed hebben begrepen, is Obama zich bijzonder bewust van deze effecten.

Bron(nen):   National Affairs