Waarom grepen de broeders en paters naar de jongens?

Dinsdag zei Antoine Bodar, priester te Rome en in zijn eigen woorden ‘ongeneeslijk katholiek’, in het Radio-1-Journaal dat hij ‘geschokt’ is door alle verhalen over seksueel misbruik door geestelijken. ‘Ik schaam mij persoonlijk.’ de Volkskrant, ooit ook ongeneeslijk katholiek, laat de pater vandaag aan het woord
‘Ik had niet gedacht dat zoiets kon.’ ‘Ik heb een hoge opvatting van het priesterschap. En misschien ben ik naïef. Hoe ook, ik zeg: dat kan toch niet, dat kan toch helemaal niet.’ ‘O, intellectueel ben ik heus wel ingelicht. Maar gevoelsmatig zeg je: nee, het kan niet dat zoiets bestaat. Er is een periode geweest in de katholieke kerk dat wanneer iemand een geweldige zonde had bedreven hij op de mat werd geroepen, betrokkene weende en klaagde en placht te zeggen: ik zal het nooit meer doen. Hij moest boete doen, hij werd desnoods in een klooster gestopt, voor twee weken dan, en daarna ging het leven voort.’ ‘Nee, de ontkenning van het probleem door de kerk kwam destijds overwegend voort uit onwetendheid. Maar wat weten wij inmiddels vanuit de wetenschap? Inmiddels weten wij dat wanneer iemand één keer aan kinderen zit, hij altijd aan kinderen zit. Zo iemand kan dus alleen nog maar gevangenispastor worden of pastor van het bejaardentehuis.’ ‘Nou ja, laat ik het dan hebben over mijn eigen naïviteit. Ik heb op het Ignatius gezeten in Amsterdam en anderhalf jaar op een kostschool, een seminarie in Boxtel. Ik was toen een jongetje dat niet zo ongelooflijk stoer was, zal ik maar zeggen. Ik kreeg nogal wat aandacht.’ 

‘In Amsterdam had ik een leraar Grieks, een pater Jezuïet en ja, achteraf was het ongelooflijk, maar die haalde je eindeloos aan in de klas, streelde je wang, drukte je hoofd tegen zijn vieze toog.’

‘Dit is mijn kern: als je geloof vervaagt, als je geroepen bent voor het priesterschap, maar je bidt niet steeds en je gaat Onze Lieve Heer zien als een prettige welzijnswerker die alles goed vindt, dus wanneer je niet ten volle gelooft in de hoogheid van je ambt of liever gezegd in de heiligheid van God, dan wordt dat celibaat inderdaad een ramp.’

‘Waarom grepen de broeders en paters naar de jongens? Uit een soort van noodhomoseksualiteit, zoals dat vroeger in de handboeken genoemd werd. In feite konden ze nietuit deweg met huncelibaat.’ ‘Ik denk dat het misbruik in de internaten in de eerste plaats machtsmisbruik is. Vergis je niet hoeveel mensen macht als het hoogste in de wereld beschouwen, waarvan seksualiteit dan een onderdeel is. Maar het gaat om macht, een fenomeen dat niks met een celibatair leven te maken heeft.’

Bron: de Volkskrant