De verborgen charme van Normandië

Heerlijk hoe de massa iedere zomer afreist naar de Côte d’Azur, zo blijft er ruimte te over aan de Franse westkust waar het veel rustiger is en aangenamer bovendien. Welingelichte Kringen zat onlangs uitstekend te eten in Honfleur en was opnieuw verbaasd om de charme van dit kleine stadje aan de monding van de Seine. Nu staat in The New York Times een uitgebreid stuk dat heet: ‘Normandy’s Quiet Glamour’ en voelen we ons als het ware een beetje bevestigd. In Normandië moet je zijn en het leuke is, het is om de hoek.
Landinwaarts is de streek prachtig. Je rijdt overwegend door landbouwgebieden; op de meeste plekken is nooit aan ruilverkaveling gedaan en dat betekent: menig weiland wordt afgebakend door een rijtje bomen en/of struiken wat een ongekende charme geeft, verderop kronkelt een leuk riviertje. Zo moet Nederland er ongeveer hebben uitgezien toen allerlei poenige aanvechtingen het platteland nog niet in hun greep hadden. 
Door die weiden grazen koeien en ander vee, allemaal druk bezig om ons het beste vlees, kaas, gevogelte en andere lekkernijen te bezorgen. 
Stadjes heb je alom, vaak oud en bezienswaardig, en de kust is toch wel de grootste attractie. Honfleur is prachtig (de geboortestad van Erik Satie – een klein museum daar eert hem nog altijd), verderop naar het zuiden heb je Deauville en Trouville – bijzonder aardige badplaatsen waar de Parijse chique al sinds mensenheugenis komt en waar het je aan niets onbreekt, behalve aan een krachtige zon. 
En dat laatste is de reden waarom zoveel mensen hier nooit naartoe zullen gaan, een hardnekkige afwijking waar we niet genoeg van kunnen profiteren.
Bijgaand stuk in The New York Times is zinnig en uitgebreid – een goede introductie voor wie nieuwsgierig is geworden.

Bron(nen):   The New York Times