Bruyneel klapt uit de school: “Renners smeekten om doping”

Voormalig ploegleider en oud-renner Johan Bruyneel is de grote man achter de zeven tourzeges van Lance Armstrong. Midden in het epo-tijdperk was hij actief in de professionele wielersport. Hij wordt gezien als een van de grootste zondaars als het gaat om het gebruik van verboden middelen. In de Telegraaf geeft Bruyneel, die levenslang is geschorst, na jaren stilzwijgen tekst en uitleg.

Opofferingen
“Als renner wist ik van de hoed en de rand,” aldus Bruyneel. “Ik was zelf immers jaren prof in het epotijdperk. Ik praat dus uit ervaring. Als jonge renner doorloop je een proces. Voordat je prof wordt, heb je vele opofferingen moeten doen. Je moet zelfs je studie opgeven om die ene droom na te streven. Dan kom je bij de grote jongens, en ontdek je dat daar bepaalde zaken gebeuren. Je ziet dat mannen die bij de amateurs uit je wiel losten, nu ineens vijf kilometer per uur sneller rijden. Wanneer je gaat rondvragen, krijg je te horen welke producten dat verschil maken. Nee, er was in die jaren geen enkel taboe over epo. Het was een onopspoorbaar product en op genoeg plekken eenvoudig te verkrijgen. Dan is het vrij simpel om in het gebruik van epo te rollen.”

Eigen houtje
“Uit eigen ervaring wist ik welke wegen renners bewandelen om aan epo te geraken,” gaat de geplaagde oud-ploegleider verder. “Ik snapte de vraag van de renners die bij ons aanklopten. Deed je niet mee aan deze medische begeleiding, dan werd je als een bal in een flipperkast alle kanten op gereden. Als de renners in die jaren niet de vraag om medische begeleiding bij de ploeg konden neerleggen, gingen ze zelf op zoek. Dan kwam je bij kwakzalvers als Eufemiano Fuentes terecht of begon je op eigen houtje epo te injecteren. Daarom heb ik ook zo’n probleem met de conclusie dat er binnen onze ploeg een dopingprogramma was. Epo kon je in veel landen zo bij de apotheek krijgen en iedereen kon dat eigenlijk gewoon zelf injecteren. Het was niks ingewikkelds.”

Smeken
“Het is moeilijk voor de buitenwacht om een voorstelling te maken van de cultuur die in die jaren in de wielersport heerste. Er waren jonge renners die bij ons letterlijk kwamen smeken om deel te mogen nemen aan het medische programma.” Bruyneel suggereert dat hij weinig keus had. “Als de vraag van een renner kwam, wist je dat ’nee’ geen antwoord was. Wanneer renners zelf aan de slag gaan, beginnen immers pas echt de problemen. De toekomst van de ploeg kwam in gevaar wanneer we met een positieve dopingtest te maken kregen. Zeker met een Amerikaans overheidsbedrijf als US Postal als sponsor. Voor ons waren er twee basisprincipes. De gezondheid van de renners mocht nooit in gevaar komen en er mocht nooit een renner positief testen. Daarom stelden wij onze hematocrietgrens niet op 50 zoals de UCI deed, maar een stuk lager op 48.”

Bron(nen):   De Telegraaf