Het sterftecijfer van Covid-19 is hoger dan ooit. Hoe kan dat?

In veel landen neemt het aantal besmettingen in rap tempo af. Toch daalt de sterftegraad niet. Sterker nog, waar in maart wereldwijd 3,4 procent van de coronapatiënten overleed, lag dat percentage deze week op 5,8 procent volgens cijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

De verklaring is simpel volgens hoofd epidemiologie van de universiteit van Hong Kong, Ben Cowling. “Er wordt niet genoeg getest, waardoor milde gevallen buiten beeld blijven.” Hoe meer mensen worden getest, hoe hoger het aantal besmettingen zonder symptomen en hoe lager het sterftecijfer.

Dat is één deel van de verklaring. Het andere deel zit hem in de vertraging van de tellingen: de mensen die nu overlijden aan Covid-19 zijn meestal drie tot vier weken geleden ziek geworden. Toen bereikten veel landen hun besmettingspiek. Dus als het aantal dagelijkse besmettingen daalt, dan stijgt het aantal doden nog enige tijd door. Daardoor ontstaat er nu tijdelijk zo’n hoge sterftegraad.

“De mortaliteit neemt sterk toe als het aantal besmettingen afneemt,” zegt ook Harvard-epidemioloog William Hanage. “De reden is dat je de doden ziet van toen de epidemie op zijn hoogtepunt was, terwijl het aantal besmettingen wel up-to-date is.”

Om een meer accuraat beeld te krijgen moet je het aantal doden van deze week vergelijken met het aantal besmettingen van drie tot vier weken geleden. Dan blijkt dat het sterftepercentage nog altijd rond de 1 procent schommelt. Zou er nog meer worden getest dan gaat dat percentage waarschijnlijk nog omlaag.

Bron(nen):   Science Alert