Vught-Ravensbrück-Dachau: Gé Reinders meeslepende beschrijving van zijn moeders helletocht

Wanneer muzikant Gé Reinders (1953) na het overlijden van zijn moeder haar bezittingen uitzoekt, ontdekt hij een zakdoekje dat ze tijdens haar verblijf in diverse kampen geborduurd heeft. Die ontdekking is het begin van zijn zoektocht naar het kampverleden van zijn moeder, waarover zij zelden sprak. 

Dankzij geduldig naspeuren kan Reinders de summiere data en plaatsen op het zakdoekje gaandeweg aanvullen. Dat zijn moeder in het Limburgse verzet zat, is wel duidelijk, maar wat haar activiteiten precies inhielden, krijgt hij niet boven water. Na haar arrestatie wordt ze zonder enige vorm van proces afgevoerd naar Vught en daarna naar Ravensbrück, dat ze, in een van de documenten die hij vindt, ‘de hel’ noemt. Na een verblijf van ruim een half jaar in een werkkamp bij Dachau wordt ze bevrijd. 

Tegenover haar kinderen liet ‘Moe’ weinig los over haar kampervaringen, maar ook zij worden van jongs af aan getekend door haar ‘eeuwige zwijgen’ en haar nachtmerries. Over de oorlog sprak men niet, het motto van veel mensen was ‘doordoon’, zoals het in het Limburgs heet. Zo vond moeder het niet nodig om de dokter te bellen toen Gé’s oudere broer zijn arm brak. Ook vroegen ze geen studiefinanciering aan. Ze deden als gezin zelden iets samen. ‘Het enige gezamenlijke was misschien wel onze eenzaamheid’, zo verwoordt Reinders het ergens. 

Reinders ontdekt dat zijn moeder geen compensatie aanvroeg van de Nederlandse regering, wel van de Duitse. Reinders moet daar wel om grinniken: ‘Duits geld wilde ze dus blijkbaar wel!’ Zo zit er wel meer humor in het boek, wat een goed tegenwicht biedt voor de gruwelijke feiten die elders beschreven worden. Op het einde van het boek, wanneer Reinders alle moed verzameld heeft en de kampen waar zijn moeder ooit zat, heeft bezocht, citeert hij zijn vrouw die zegt: ‘Kom Columbus, we gaan naar huis.’ 

Het is Reinders gelukt een helder verslag te schrijven van een ingewikkelde speurtocht. ‘Het zakdoekje’ ontroert en is minstens zo meeslepend als het boek ‘The Lost’ van Daniel Mendelsohn, dat WIK eerder besprak. ‘Ik heb bij een beurse plek op mijn ziel woorden gezocht en gevonden.’ zo besluit hij zijn verslag. 

Het zakdoekje, 2010, 263 p., Nijgh en Van Ditmar.