Van biografie tot fictie – en alle gekkigheid daartussenin

Met een boekenweek-thema als Curriculum Vitae – Geschreven portretten is het logisch dat de biografieën je nu om de oren vliegen. Je kunt het tegenwoordig zo gek niet bedenken of er wordt wel een biografie aan gewijd. De eer valt inmiddels niet alleen schrijvers en andere markante figuren te beurt, maar inmiddels steeds vaker een gebouw, een dier, een sportclub of historische race (denk aan Susanna Jansens De hemel is goud).

Is het onderwerp eenmaal gekozen, dan staat de biograaf voor een belangrijke keuze: wordt het een keurige, maar saaie opsomming van de feiten of gun je jezelf wat vrijheid en beschrijf je meeslepend wat je personage moet hebben gedacht? Moet de lezer zich door een gortdroge beschrijving heen gaan worstelen of krijgt hij of zij een smeuïg, ietwat gefictionaliseerd verslag voorgeschoteld? (denk aan de biografieën door Annejet van der Zijl of aan Vaslav van Arthur Japin). Het is de afweging tussen waar en leesbaar. 

Maar het kan nog gekker. De Franse krant L’Express signaleert een trend waarbij bekende historische figuren optreden als romanpersonage. Zo gaat in de detectiveroman The Interpretation of Murder (door Jed Rubenfeld, 2006) Sigmund Freud in eigen persoon op zoek naar de moordenaar. De krant noemt nog meer voorbeelden, met o.m. Jules Verne, Cervantes, Rudyard Kipling (van Jungleboek) en Edgar Allan Poe in de hoofdrol. En onlangs verscheen in het Nederlands Alabama Song van Gilles Leroy (2007), met daarin verzonnen episodes uit het leven van schrijver Scott Fitzgerald en zijn vrouw Zelda. 
Ook iets dat verzonnen is, kan echt bestaan. 

Bron(nen):   L'Express