Irak, de buit wordt nu verdeeld

De regering van Irak gaat oliecontracten afsluiten met buitenlandse ondernemingen. Het is voor het eerst sinds 1972 dat buitenlanders de kans krijgen mee te profiteren van de gigantische olievoorraden; in dat jaar werd de oliewinning in Irak genationaliseerd en moesten ze van Saddam Hussein het land verlaten.
Het plan voor deze nieuwe aanpak is afkomstig van de olieminister Hussain al-Shahristani, maar stuit ook op tegenstand. Sommige politici twijfelen eraan of bepaalde olieconcerns mogelijk zullen worden voorgetrokken – en vragen zich af in hoeverre steekpenningen en corruptie de keuze zullen bepalen.
Voorstanders van de nieuwe plannen beweren dat optimale exploitatie van de olievelden van groot belang is. Irak bezit een van de grootste olievoorraden (115 miljard barrel) ter wereld en het door oorlog kapot gemaakte land kan externe know-how goed gebruiken. Om zo de dagelijks gewenste 4 miljoen barrels uit de grond te halen (is nu 2,4 miljoen).
Grote ondernemingen als Shell en Exxon staan al klaar. De Iraakse voorraden zijn nog nauwelijks geëxploiteerd en relatief makkelijk bereikbaar. De winning van ruwe olie zal ongeveer 1,5 dollar per barrel bedragen – heel wat minder dan in Maleisië (5 dollar) of Canada (20 dollar).
Sinds 1990 – het jaar dat Irak in Koeweit binnenviel – is de olieproductie enorm afgenomen, deels door sancties tegen Saddam Hussein, deels om redenen van oorlog. Sindsdien ging het ook bergafwaarts met de deskundigheid in het land zelf inzake oliewinning; zo zijn veel oliespecialisten vermoord en gekidnapt. En ging het Koerdische deel van Irak volstrekt z’n eigen gang en sloot alvast zelf contracten af met buitenlandse bedrijven om olie te verkopen.
Wie de grote contracten (looptijd 20 jaar) in de wacht gaat slepen, is nog onbekend. Zoals ook onbekend is in hoeverre landen ‘beloond’ zullen worden voor hun inspanningen bij de bevrijding van Irak.

Bron(nen):   The Wall Street Journal